ECLI:NL:HR:2016:1010

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2016
Publicatiedatum
31 mei 2016
Zaaknummer
15/02563
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet beslissen op verzoek aanhouding behandeling door niet-gemachtigde raadsman

In deze zaak stond het beroep in cassatie van een verdachte centraal tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De kern van het geschil betrof het verzoek van een raadsman die niet op grond van art. 279 Sv Pro gemachtigd was, om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde alsnog een machtiging te verkrijgen.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep was de verdachte niet verschenen en was de raadsman aanwezig zonder geldige machtiging. Hij verzocht de voorzitter om schorsing van de behandeling, wat door het hof werd afgewezen. Het hof verleende verstek en behandelde de zaak verder zonder de verdachte.

De Hoge Raad oordeelde dat het niet beslissen op het verzoek tot aanhouding van de behandeling door de niet-gemachtigde raadsman een verzuim is dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het daarop gebaseerde arrest. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.

De uitspraak benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte en de noodzaak dat het hof adequaat beslist op verzoeken die dit recht betreffen, ook als deze worden gedaan door een niet-gemachtigde raadsman.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet beslissen op het verzoek tot aanhouding en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

31 mei 2016
Strafkamer
nr. S 15/02563
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2015, nummer 23/005480-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1.Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben P. Scholte en B.M. Beg, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van de niet op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigd raadsman tot aanhouding van de behandeling van de zaak ten behoeve van het alsnog verkrijgen van zo een machtiging.
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De verdachte (...) is niet verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B.M. Beg, advocaat te Amsterdam. In reactie op de vraag van de voorzitter of de raadsman door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen antwoordt hij - zakelijk weergegeven - als volgt:
Ik ben niet gemachtigd, maar ik ben benieuwd naar de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
(...)
Na onderbreking voor beraad in raadkamer en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede:
(...) De dagvaarding is rechtsgeldig betekend, terwijl de raadsman niet is gemachtigd.
De raadsman reageert - zakelijk weergegeven - als volgt:
Dan verzoek ik u het onderzoek te schorsen. Ik weet dat de verdachte niet op de hoogte was van deze zitting, daarom is zij er niet.
(...)
Het verzoek wordt, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:138), afgewezen.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De raadsman onderbreekt de voordracht van de advocaat-generaal en voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan:
Volgens mij mag ik ook nog een ander verzoek doen. Ik kan ook nu nog proberen telefonisch alsnog een machtiging te krijgen van mijn cliënte.
De voorzitter deelt de raadsman in reactie daarop mede dat hij daarmee nu te laat is.
(...)
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten."
2.3.
Een raadsman die niet op de voet van art. 279 Sv Pro is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte, kan geen van de bij de wet aan de raadsman toegekende rechten en bevoegdheden uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld. (Vgl. HR 23 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4727, NJ 2002/77.)
2.4.
Hetgeen de niet op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman van de verdachte blijkens het hiervoor weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ten behoeve van het alsnog verkrijgen van zo een machtiging. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het Hof in op dit verzoek. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest.
2.5
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 mei 2016.