ECLI:NL:HR:2001:AD4727
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de positie van de niet-uitdrukkelijk gemachtigde raadsman bij verstekprocedure
Deze zaak betreft het cassatieberoep van Desiré Delano Bouterse tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin hij veroordeeld werd tot elf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van een opiumdelict. De kern van het cassatieberoep betreft de vraag in hoeverre een raadsman die niet uitdrukkelijk door zijn cliënt is gemachtigd, de verdediging mag voeren bij verstek van de verdachte.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur omtrent artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat een raadsman die met kennelijke bedoeling tot verdediging verschijnt, daartoe in ieder geval enige ruimte moet krijgen. Echter, de wetgever heeft bewust gekozen voor een machtigingsvereiste om volledige verdediging te mogen voeren.
De Hoge Raad bevestigt dat zonder uitdrukkelijke machtiging de raadsman slechts het woord mag voeren ter toelichting en verzoeken mag doen die verband houden met de voorlopige hechtenis, maar geen rechtshandelingen mag verrichten zoals het oproepen van getuigen of het indienen van processtukken. Dit regime is niet in strijd met het EVRM. Het hof heeft de raadsman in ruime mate het woord gegeven, maar de beperkingen zijn gerechtvaardigd en vallen binnen de beoordelingsvrijheid van de nationale autoriteiten.
Het beroep in cassatie wordt verworpen omdat de klachten onvoldoende gronden bieden om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad benadrukt dat het machtigingsvereiste een bewuste keuze van de verdachte weerspiegelt en dat dit regime de verdedigingsrechten niet onnodig beperkt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het machtigingsvereiste in artikel 279 Sv wordt bevestigd.