ECLI:NL:HR:2016:1013

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2016
Publicatiedatum
31 mei 2016
Zaaknummer
15/04955
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk in zaak moord en doodslag

In deze zaak heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van moord en doodslag op zijn partner en het ongeboren kind.

De raadsman van de verdachte heeft het beroep tegengesproken, terwijl de advocaat van de benadeelde partij schriftelijk heeft gereageerd. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld op ontvankelijkheid volgens artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten die aan het cassatieberoep ten grondslag liggen, berusten op een onjuiste lezing van het arrest van het hof, eisen stellen die geen steun vinden in het recht, voorbijgaan aan hetgeen het hof heeft overwogen, of vaste rechtspraak negeren. Tevens is vastgesteld dat de partij die het beroep instelde onvoldoende belang heeft bij behandeling van het cassatieberoep.

Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de vrijspraak van verdachte. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst en raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers op 31 mei 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de vrijspraak van verdachte blijft gehandhaafd.

Uitspraak

31 mei 2016
Strafkamer
nr. S 15/04955
EC/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 juli 2015, nummer 21/001111-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte, W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De advocaat van de benadeelde partij, G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 mei 2016.