Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
26 januari 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde op 26 januari 2016 een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam uit 2010, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor vernieling, diefstal en wederrechtelijk binnendringen. De aanvraag tot herziening werd ingediend door de advocaat van de aanvrager en betrof een verzoek om herziening op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die tijdens het oorspronkelijke proces niet bekend waren.
De Hoge Raad overwoog dat krachtens artikel 457 Sv Pro een aanvraag tot herziening slechts ontvankelijk is indien zij steunt op nieuwe feiten die het ernstige vermoeden wekken dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring of toepassing van een minder zware strafbepaling zou hebben geleid. De aangevoerde gronden waren echter reeds eerder beoordeeld en als onvoldoende geoordeeld in eerdere arresten van de Hoge Raad uit 2012 en 2013.
Daarnaast voldeed de aanvraag niet aan de vereisten van artikel 460, tweede lid, Sv, omdat de gronden niet duidelijk waren vermeld met de benodigde bescheiden. Het overige in de aanvraag bevatte geen nieuwe feiten die als grondslag voor herziening konden dienen. Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag niet-ontvankelijk.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad, A.J.A. van Dorst, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, waarbij laatstgenoemden niet konden ondertekenen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe feiten.