ECLI:NL:HR:2016:103

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2016
Publicatiedatum
26 januari 2016
Zaaknummer
15/04362
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herroeping
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 460 SvArt. 465 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van aanvraag tot herziening wegens ontbreken nieuwe feiten

De Hoge Raad behandelde op 26 januari 2016 een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam uit 2010, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor vernieling, diefstal en wederrechtelijk binnendringen. De aanvraag tot herziening werd ingediend door de advocaat van de aanvrager en betrof een verzoek om herziening op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die tijdens het oorspronkelijke proces niet bekend waren.

De Hoge Raad overwoog dat krachtens artikel 457 Sv Pro een aanvraag tot herziening slechts ontvankelijk is indien zij steunt op nieuwe feiten die het ernstige vermoeden wekken dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring of toepassing van een minder zware strafbepaling zou hebben geleid. De aangevoerde gronden waren echter reeds eerder beoordeeld en als onvoldoende geoordeeld in eerdere arresten van de Hoge Raad uit 2012 en 2013.

Daarnaast voldeed de aanvraag niet aan de vereisten van artikel 460, tweede lid, Sv, omdat de gronden niet duidelijk waren vermeld met de benodigde bescheiden. Het overige in de aanvraag bevatte geen nieuwe feiten die als grondslag voor herziening konden dienen. Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag niet-ontvankelijk.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad, A.J.A. van Dorst, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, waarbij laatstgenoemden niet konden ondertekenen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

26 januari 2016
Strafkamer
nr. S 15/04362 H
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 29 juli 2010, nummer 21/001017-10, ingediend door mr. S. Spans, advocaat te Utrecht, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Utrecht van 8 maart 2010 - de aanvrager ter zake van 1. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen", 2. "diefstal" en 3.-6. telkens "het besloten erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.
Voor zover de onderhavige aanvraag steunt op dezelfde gronden die bij arresten van de Hoge Raad van 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY1572 en 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:75 ongenoegzaam zijn geoordeeld, kan zij niet worden ontvangen.
3.3.
Art. 460, tweede lid, Sv schrijft voor dat de aanvraag tot herziening de gronden dient te vermelden waarop de aanvraag berust, met bijvoeging van de bescheiden waaruit van die gronden kan blijken.
3.4.
Het overige in de aanvraag gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op een gegeven als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvraag kan daarom - gelet op de art. 460, tweede lid, en 465, eerste lid, Sv - ook in zoverre niet worden ontvangen.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 januari 2016.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.