Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
4 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor vernieling, diefstal en huisvredebreuk. Het hof had de aanvrager veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden na vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Utrecht.
Eerder had de Hoge Raad op 26 januari 2016 een aanvraag tot herziening van hetzelfde arrest niet-ontvankelijk verklaard. De huidige aanvraag steunt op dezelfde gronden die toen ongenoegzaam zijn geoordeeld.
De Hoge Raad oordeelt daarom dat de aanvraag tot herziening niet kan worden ontvangen en verklaart deze niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 4 september 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk wegens gebrek aan nieuwe gronden.