Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
26 januari 2016.
Hoge Raad
Op 26 maart 2012 schoot verdachte [slachtoffer] in Heerlen met een vuurwapen dood. Het hof stelde vast dat verdachte eerst werd mishandeld door een groep van negen personen, waaronder het slachtoffer, waarna hij zich terugtrok in een opslagruimte om een vuurwapen te halen. Na een waarschuwingsschot in de lucht richtte verdachte het wapen op het slachtoffer en schoot hem neer.
Het hof oordeelde dat de noodweersituatie was geëindigd nadat verdachte de aanvallers uit de portiek had gewerkt en dat er geen nieuwe dreiging was toen hij schoot. De gedraging van verdachte werd als aanvallend beoordeeld, waardoor een beroep op noodweer, noodweerexces of putatief noodweer niet kon slagen.
De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie dat een beroep op noodweer niet kan slagen indien de gedraging van verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend moet worden gezien. Gezien de feitelijke vaststellingen was het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en werd het cassatieberoep verworpen.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de verwerping van de verweren en verwierp het beroep van verdachte. Dit arrest benadrukt de strikte toetsing van noodweer en noodweerexces in situaties waarin de gedragingen van de verdachte als aanvallend worden gekwalificeerd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het schieten op het slachtoffer niet als noodweer kon worden aangemerkt.