Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
7 juni 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd verdacht van ontucht gepleegd tussen 2005 en 2011 en werd op 5 november 2012 aangehouden. Tijdens het politieverhoor op 7 november 2012 deed hij tweemaal een verzoek om contact met zijn advocaat, nadat hij voorafgaand aan het eerste verhoor ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn recht op raadpleging. Het hof oordeelde dat het verhoor niet direct stilgelegd hoefde te worden bij een dergelijk verzoek en dat de verbalisanten beoordelingsruimte hadden om te bepalen wanneer het verhoor te onderbreken.
De verdediging stelde dat het niet toestaan van het tweede verzoek tot raadpleging een schending was van artikel 28 Sv Pro en artikel 6 EVRM Pro, wat bewijsuitsluiting rechtvaardigde. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht oordeelde dat het verhoor niet per direct stilgelegd hoefde te worden, maar vond het oordeel van het hof dat aan verdachte voldoende gelegenheid was gegeven om contact met zijn advocaat te zoeken, onvoldoende gemotiveerd. De verdachte had immers verklaard te zijn uitgeput en wilde graag zijn advocaat spreken.
De Hoge Raad stelt dat in gevallen waarin de verdachte vooraf afstand doet van zijn consultatierecht, de rechter moet beoordelen of het niet onderbreken van het verhoor bij een verzoek tot raadpleging een vormverzuim oplevert volgens artikel 359a Sv. Daarbij dienen factoren zoals de aard van de beschuldiging, de beschikbare informatie en het verloop van het verhoor te worden meegewogen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. Hiermee wordt het belang van het consultatierecht en een behoorlijke procesorde benadrukt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling vanwege onvoldoende motivering omtrent het consultatierecht tijdens het verhoor.