Conclusie
Inleiding
NJ2016/52 m.nt. Klip (hierna ook: het decemberarrest). Met het oog op de invulling van het recht op verhoorbijstand heeft het College van procureurs-generaal beleid vastgesteld. Het beleid is neergelegd in een brief van 10 februari 2016 van het College van procureurs-generaal, gericht aan de hoofden van de OM-onderdelen (hierna: de Beleidsbrief OM). Bijlage 2 bij deze brief heeft als aanhef “regels inrichting en orde politieverhoor meerderjarige verdachten per 1 maart 2016”. Kort samengevat staat de vraag centraal of de uitoefening van het recht op verhoorbijstand, zoals bedoeld in het decemberarrest, ontoelaatbaar wordt beperkt door de regels waaraan het openbaar ministerie de bijstand van de raadsman bij het politieverhoor heeft gebonden.
Feiten en procesverloop
(i) NVSA c.s. hebben onder meer gevorderd dat de Staat c.s. de Beleidsbrief OM, althans delen daarvan, met onmiddellijke ingang buiten werking zullen stellen. De raadsman die tijdens het politieverhoor rechtsbijstand verleent aan een aangehouden verdachte moet volgens NVSA c.s. in staat worden gesteld om bij het gehele verhoor aanwezig te zijn, daadwerkelijk aan het verhoor deel te nemen en de verdachte ten aanzien van specifieke vragen te adviseren zich op zijn zwijgrecht te beroepen. Naar de mening van NVSA c.s. handelen de Staat c.s. onrechtmatig jegens hen, aangezien zij in strijd met het decemberarrest niet per 1 maart 2016 het recht op verhoorbijstand hebben geëffectueerd. De Beleidsbrief OM voorziet volgens hen niet in een daadwerkelijke deelname van de raadsman aan het verhoor en is daarmee niet in overeenstemming met het decemberarrest en evenmin met de Richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2013 (hierna: de Richtlijn) [1] en met de jurisprudentie van het EHRM.
(2) Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, zijn die beperkingen (of een (aantal) daarvan) zoals in het bijzonder opgenomen in art. 4, onder b, art. 5 en Pro art. 6 van Pro de Beleidsbrief OM, verenigbaar met de in het arrest van 22 december 2015 door de Hoge Raad geformuleerde norm dat een verdachte recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken?
(3) Volgt uit de norm die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 22 december 2015 dat de raadsman die tijdens het politieverhoor rechtsbijstand verleent aan een aangehouden verdachten, in staat moet worden gesteld om:
- bij het gehele verhoor aanwezig te zijn,
- daadwerkelijk aan het verhoor deel te nemen, en/of
- de verdachte ten aanzien van specifieke vragen te adviseren zich (al dan niet) op zijn zwijgrecht te beroepen, derhalve zonder dat hem regels worden opgelegd die hem beperken in het maken van opmerkingen, het stellen van vragen en het verzoeken om een onderbreking voor overleg met de verdachte?”
Juridisch kader
garde à vueen voorafgaand aan de verlenging daarvan een advocaat te consulteren. [6] De aansporing van de advocaat-generaal om de interpretatie van de Europese rechtspraak in dit verband te herzien, vond evenwel vooralsnog geen weerklank. De Hoge Raad constateerde weliswaar dat het Europese Hof in een aantal concrete gevallen had beslist dat het ontbreken van rechtsbijstand ten aanzien van het verhoor van de verdachte bij de politie onder omstandigheden als een schending van art. 6, derde lid onder c, in verbinding met art. 6, eerste lid, EVRM moest worden aangemerkt, maar was van oordeel dat daaruit niet zonder meer algemene conclusies konden worden getrokken ten aanzien van het recht op verhoorbijstand en de consequenties die aan schending van dat recht zouden moeten worden verbonden.
Uitgangspunten bij de beantwoording van de vragen
Grondslag van het recht op verhoorbijstand
Rechtsvergelijkende schets
De advocaat kan aanwezig zijn tijdens het verhoor, dat evenwel reeds een aanvang genomen kan hebben overeenkomstig de bepalingen van § 1, derde en vierde lid.
De bijstand van de advocaat heeft uitsluitend tot doel toezicht mogelijk te maken op :
1° de eerbiediging van het recht zichzelf niet te beschuldigen en de keuzevrijheid om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de gestelde vragen of te zwijgen;
2° de wijze waarop de ondervraagde persoon tijdens het verhoor wordt behandeld, inzonderheid op het al dan niet kennelijk uitoefenen van ongeoorloofde druk of dwang;
3° de kennisgeving van de in artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering bedoelde rechten van verdediging en de regelmatigheid van het verhoor.
De advocaat kan onmiddellijk in het proces-verbaal van het verhoor melding laten maken van de schendingen van de in het derde lid, 1°, 2° en 3° vermelde rechten die hij meent te hebben vastgesteld.
Het verhoor wordt gedurende maximaal vijftien minuten onderbroken met het oog op bijkomend vertrouwelijk overleg, hetzij eenmalig op verzoek van de ondervraagde persoon zelf of op verzoek van zijn advocaat, hetzij bij het aan het licht komen van nieuwe strafbare feiten die niet in verband staan met de feiten die hem overeenkomstig artikel 47bis, § 2, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering ter kennis werden gebracht.
Alleen de meerderjarige ondervraagde persoon kan vrijwillig en weloverwogen afstand doen van de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor. Hiervan wordt melding gemaakt in het document bedoeld in het in § 1, vijfde lid, bedoelde document of in het proces-verbaal van het verhoor.”
Frankrijk
garde à vueen tijdens het verhoor door de politie. Ook wordt hij op zijn zwijgrecht gewezen. Art. 63-3-1 en art. 63-4 van de Code de Procédure Pénale bevatten het recht op consultatie van een advocaat gedurende de inverzekeringstelling. Art. 63-4-2 van de Code de Procédure Pénale bevat een voorziening voor verhoorbijstand voor de verdachte. Zonder aanwezigheid van de raadsman kan in beginsel niet worden gestart met het verhoor, tenzij twee uren zijn verstreken sinds de raadsman op de hoogte is gesteld van het verhoor. [34] Als het verhoor zonder raadsman is begonnen en deze alsnog verschijnt, wordt het verhoor onderbroken, opdat de verdachte met hem kan overleggen. In uitzonderlijke omstandigheden kan het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor worden opgeschort, zo valt in art. 63-4-2 Code de Procédure Pénale te lezen: