Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
14 juni 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de bevoegdheid van verbalisanten centraal die verdachte op 12 juli 2011 in Nijmegen staande hielden en zijn handen vastpakten om een vermoedelijk drugsvatbaar voorwerp in beslag te nemen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat de verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening handelden, omdat zij niet vooraf hadden kunnen vaststellen dat verdachte een voorwerp in zijn handen had dat in beslag genomen kon worden.
De Hoge Raad oordeelde dat deze interpretatie van artikel 9, derde lid, van de Opiumwet onjuist is en dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verbalisanten niet bevoegd waren om verdachte te stoppen en diens handen vast te pakken. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is bepaald dat opsporingsambtenaren proportioneel geweld mogen gebruiken om voorwerpen in beslag te nemen, ook tegen de wil van de betrokkene.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof voor zover het gaat om de tenlasteleggingen onder parketnummer 05-039373-12 en de strafoplegging, en verwijst de zaak terug naar het Hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting.