Conclusie
eerste middelwordt betoogd dat het oordeel van het hof, dat er sprake was van een onderzoek aan de kleding van de verdachte omdat de sommatie van verbalisant [verbalisant 1] aan de verdachte om diens onderbroek uit te trekken was gedaan met het oog op het onderzoek van die onderbroek en derhalve niet (mede) was gericht op het doen van een onderzoek aan het lichaam van de verdachte, niet – althans niet zonder meer – begrijpelijk is.
tweede middelbevat de klacht dat het hof de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat het bewijs dat volgt uit het onderzoek aan het lichaam moet worden uitgesloten hetgeen dient te leiden tot vrijspraak van feit 1, onvoldoende heeft gemotiveerd. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
inhet lichaam wordt door de wetgever beschouwd (zie art. 56 lid 2 Sv Pro) het uitwendig schouwen (dus buitenaf bekijken) van de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek en echografie en het inwendig manueel (met de hand/vingers of een voorwerp) onderzoek van de openingen en holten van het gehele lichaam. Als onderzoek
aanhet lichaam blijft dus over het onderzoek aan de oppervlakte van het hele lichaam en het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het bovenlichaam. [6] Bij dit laatste kan het gaan om het doen openen van de mondholte, het inspecteren van de neusholte en de oren en het van buitenaf schouwen of zich daarin voorwerpen bevinden. Is dit het geval, dan kunnen die voorwerpen in beslag genomen worden als zij zonder het gebruik van hulpmiddelen eenvoudig kunnen worden verwijderd. [7] Bij het onderzoek aan de oppervlakte van het lichaam kan worden gedacht aan het onderzoek van kenmerkende eigenschappen van het lichaam, zoals littekens of tatoeages, [8] en het aftasten van het lichaamsoppervlak, waaronder begrepen het zoeken onder verband of pleisters, [9] bijvoorbeeld naar daaronder geplakte verdovende middelen. [10]