Belanghebbende, een B.V., had tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld inzake een aanslag vennootschapsbelasting over 2007. Vervolgens werd door belanghebbende cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en heeft een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze betaling is niet voldaan. Ondanks een nadere gelegenheid om een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht, heeft de gemachtigde van belanghebbende geen gegronde reden aangevoerd.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.