Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Emmen(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De vaststaande feiten
936.422+
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een vennootschap die monumenten beheert en exploiteert, had in 2005 een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd na verkoop van een onroerende zaak. In 2007 vond een aandelenoverdracht plaats aan een nieuwe aandeelhouder, voorafgaand aan de aankoop van nieuwe onroerende zaken waarin de HIR werd geherinvesteerd.
De Inspecteur stelde dat de HIR bij belangenwijziging volgens artikel 12a Wet Vpb direct aan de winst moest worden toegevoegd. Belanghebbende voerde aan dat de HIR al was afgeboekt op de nieuwe onroerende zaken en dat de vrijval niet terecht was. Het Hof volgde het standpunt van belanghebbende dat de HIR op het moment van belangenwijziging niet meer bestond.
De Inspecteur stelde voorts dat sprake was van fraus legis, omdat de transacties waren ingericht om belastingheffing te voorkomen. Het Hof oordeelde dat de feiten en de tijdsvolgorde van de transacties dit aannemelijk maken en dat de HIR niet mocht worden vrijgelaten. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Belanghebbende had zich ook beroepen op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, maar het Hof wees deze gronden af. De heffingsrente werd eveneens bevestigd. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.