ECLI:NL:HR:2016:1443

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2016
Publicatiedatum
7 juli 2016
Zaaknummer
15/01300
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt zorgplicht bij meerwaardehypotheek en verkoop beleggingen

In deze zaak stond de vraag centraal of ING Bank heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht bij de opdracht tot verkoop van beleggingen in verband met het oversluiten van een lening, waarbij een meerwaardehypotheek was betrokken.

De feiten en het geding in de lagere instanties zijn uitgebreid behandeld in de vonnissen van de rechtbank Amsterdam en het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarop de Hoge Raad zich baseert. Eiser stelde dat ING Bank tekort was geschoten in haar zorgplicht, maar het hof verwierp dit standpunt.

In cassatie heeft eiser dit oordeel aangevochten, maar de Hoge Raad concludeert dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro is geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad verwerpt het beroep van eiser en veroordeelt hem in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt het arrest van het gerechtshof Amsterdam bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam wordt bekrachtigd.

Uitspraak

8 juli 2016
Eerste Kamer
15/01300
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. W.H. van Hemel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ING.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/13/514577/HA ZA 12-446 van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2012 en 24 juli 2013;
b. het arrest in de zaak 200.136.498/01 van het gerechtshof Amsterdam van 2 december 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
ING heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 2.652,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
8 juli 2016.