Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 7 juli 2015, nr. 12/5350 WWB-V, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Groningen (nr. 12/167).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende heeft in een procedure bij de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak in een hoger beroepszaak. Voor de behandeling van het cassatieberoep moest griffierecht worden betaald. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht, maar na ambtshalve verkregen gegevens over zijn inkomen en vermogen en het feit dat hij in 2015 een bijstandsuitkering ontving, werd dit beroep afgewezen.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk verzocht om het griffierecht te betalen en om nadere specificaties van zijn uitkeringen te overleggen. Ondanks deze aanmaningen en een termijn van vier weken voor betaling, werd het griffierecht niet voldaan.
Belanghebbende gaf geen geldige reden voor het niet betalen van het griffierecht. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en sprak het arrest uit op 5 februari 2016.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.