Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 5 februari 2016, nr. 15/03128, ECLI:NL:HR:2016:188.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het verzoek tot herziening van het arrest van 5 februari 2016, waarbij belanghebbende een herziening verzocht. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden bevat zoals vereist in artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal, verklaarde de Hoge Raad het verzoek niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het verzoek niet tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak leidt en dat het oorspronkelijke arrest van 5 februari 2016 in stand blijft.
Het arrest werd gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016. De beslissing bevestigt de strikte criteria voor herzieningsverzoeken in bestuursrechtelijke zaken.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.