Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
6 september 2016.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2015. Echter zijn geen middelen van cassatie door de raadsman van de verdachte binnen de wettelijke termijn ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat het niet indienen van middelen binnen de termijn een schending is van art. 437, tweede lid, Sv, waardoor de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen. De Hoge Raad verklaart derhalve de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren H.A.G. van Splinter-van Kan en Y. Buruma, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 6 september 2016.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.