Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
9 februari 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie van de verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin schadevergoedingsvorderingen van twee benadeelde partijen waren toegewezen. De benadeelde partijen hadden zich in het strafproces gevoegd met vorderingen tot vergoeding van materiële en immateriële schade.
Het hof had de schadevergoeding toegewezen en daarbij de wettelijke rente vanaf bepaalde data toegekend, namelijk 13 december 2010 voor de eerste benadeelde partij en 21 maart 2009 voor de tweede. De verdachte voerde in cassatie aan dat een deel van de schade pas later was ingetreden, waardoor de rente vanaf een latere datum zou moeten lopen.
De Hoge Raad oordeelde dat dit verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden ingebracht omdat het een feitelijke beoordeling vergt. Wel constateerde de Hoge Raad een kennelijke misslag in de ingangsdatum van de wettelijke rente voor de tweede benadeelde partij, die volgens het hof onjuist was vastgesteld op 21 maart 2009 in plaats van 21 maart 2011. De Hoge Raad herstelde deze misslag en bepaalde dat de rente vanaf 21 maart 2011 moet worden berekend. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad herstelt de ingangsdatum van de wettelijke rente voor de schadevergoeding aan de tweede benadeelde partij naar 21 maart 2011 en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.