Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof zijn strafmotivering niet begrijpelijk heeft gemotiveerd, gelet op de door de advocaat-generaal bij het hof gevorderde straf, de door de politierechter opgelegde straf en hetgeen in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht in het kader van de strafoplegging.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen tot een bedrag van € 250,-, aangezien het hof heeft miskend dat op grond van art. 6:106 BW Pro, in verbinding met art. 6:95 BW Pro, vergoeding van immateriële schade niet mogelijk is als er enkel een vermogensdelict bewezen is verklaard. Het
derde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 april 2009, aangezien de schade niet reeds op dat moment is ontstaan. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
vierde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd voor een bedrag van € 7.527,90 ten behoeve van [betrokkene 1], aangezien dit bedrag voornamelijk bestaat uit de schadepost “opnames bij Rabobank”, terwijl de verdachte ter zake van een deel van die opnames (de opnames in Scheveningen) door het hof is vrijgesproken en de verdachte ten aanzien van andere uitgaven die onderdeel uitmaken van die schadepost (enkele “PayPal betalingen”) niet is veroordeeld. Volgens de steller van het middel kan niet worden gezegd dat het volledige bedrag is toegebracht door het bewezen verklaarde feit zoals bedoeld in art. 36f, tweede lid, Sr.
vijfde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.