Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
13 september 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 juni 2015. Verdachte werd veroordeeld voor drugsexport en het beheer van digitale marktplaatsen voor de handel in drugs, op basis van de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen de verwerping door het hof van het beroep op nietigheid van de dagvaarding, het gebruik van processen-verbaal van infiltratie als bewijs en het als voorgehouden beschouwen van stukken die ten bezwarende titel tegen verdachte werden gebruikt. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten faalden en dat de middelen niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad vond geen aanleiding tot nadere motivering, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 13 september 2016, waarbij het beroep werd verworpen en het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt bevestigd.