Conclusie
“1:
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Parket bij de Hoge Raad
Verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vijf voorwaardelijk, wegens meermalig witwassen. Het hof stelde vast dat verdachte grote contante bedragen had omgezet en besteed aan onder meer de aanschaf van meerdere BMW's, terwijl hij geen aantoonbare legale inkomsten had die deze uitgaven konden verklaren.
Verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij een plausibele en verifieerbare verklaring had gegeven voor de herkomst van het geld, waaronder inkomsten uit ondernemingen, kredieten en gokwinsten. Het hof onderzocht deze verklaringen en de overgelegde stukken, maar concludeerde dat deze inconsistent, onvolledig en onvoldoende waren om een legale herkomst aannemelijk te maken.
De Hoge Raad toetste het oordeel van het hof en verwierp de klachten over de bewijsvoering en motivering. Het hof had terecht geoordeeld dat het niet anders kon zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was en dat verdachte wist van deze herkomst. De Hoge Raad bevestigde dat het verweer van verdachte onvoldoende aannemelijk was en dat het hof zijn bewijs- en motiveringsplicht had vervuld.
De middelen van cassatie faalden in alle onderdelen, en de Hoge Raad wees het beroep af. Hiermee bleef de veroordeling van verdachte voor meermalig witwassen in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor meermalig witwassen wegens onvoldoende aannemelijke verklaring van de legale herkomst van contante bedragen.