ECLI:NL:PHR:2018:490

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2018
Publicatiedatum
22 mei 2018
Zaaknummer
16/04298
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 301 SvArt. 415 SvArt. 417 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
15 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijsvoering mishandeling ondanks niet-voorlezen proces-verbaal

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een taakstraf van zeventig uur wegens mishandeling van een persoon op 1 juni 2013 te Rotterdam. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse proces-verbalen, waaronder verklaringen van het slachtoffer en getuigen, en bevindingen van opsporingsambtenaren.

De verdediging stelde in cassatie dat het hof in strijd met artikel 301, vierde lid, Sv stukken tot bewijs had gebruikt die niet tijdens de terechtzitting waren voorgelezen of waarvan geen korte inhoud was medegedeeld. De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift bedoeld is om te voorkomen dat de verdachte wordt geconfronteerd met nadelige stukken waarvan hij de inhoud niet kent. Echter, tijdens de terechtzitting had de voorzitter medegedeeld dat het hof kennis had genomen van alle stukken van het voorbereidend onderzoek en overige stukken.

Bovendien had de raadsman verklaard geen behoefte te hebben aan het verder voorhouden van stukken uit het dossier. Hierdoor was er geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat stukken niet waren voorgelezen. De Hoge Raad concludeerde dat het middel faalt en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling en opgelegde taakstraf in stand bleven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de taakstraf van zeventig uur wegens mishandeling blijft in stand.

Conclusie

Nr. 16/04298
Zitting: 27 maart 2018
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 10 augustus 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zeventig uren. Voorts heeft het hof de vordering benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals vermeld in het arrest.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 301, vierde lid, Sv stukken tot het bewijs heeft gebezigd terwijl deze niet tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn voorgelezen of de korte inhoud daarvan is medegedeeld.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij op 1 juni 2013 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen in het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”
5. Uit de bijlage bij het arrest van 8 december 2016 blijkt dat deze bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen steunt:
“1. Een
proces-verbaal aangifted.d. 4 juni 2013 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL17J0-2013166182- 1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (pagina 3 e.v.):

als de op 4 juni 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 1 juni 2015 bevond ik mij aan de Slinge te Rotterdam ter hoogte van de kruising met de Larenkamp. Een voor mij onbekend manspersoon stapte uit zijn zwarte voertuig en kwam naar mij toe. Ik had inmiddels mijn voertuig verlaten. Ik voelde dat ik door deze man twee keer werd geslagen. De man sloeg mij kennelijk opzettelijk en met kracht tweemaal hard op de linkerzijde van mijn gezicht. Ik vermoed dat de man mij geslagen heeft zijn gebalde vuist. Ik voelde in mijn mond een scheur. Ik had veel pijn.
De arts heeft de diepe scheur aan de rechterzijde in mijn mond moeten hechten. Mijn rechterwang was opgezet en dik. Ik heb ook hoofdpijn gehad. Signalement van de man:
- tussen 1.75/1.78 m
- stevig postuur
- mogelijk sik of ringbaardje.
2. Een
proces-verbaal van verhoor aangeverd.d. 26 juni 2015 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2013166182-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ongenummerde pagina's):

als de op 26 juni 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 1 juni 2013 bent u te Rotterdam mishandeld door een mannelijk persoon.
Hij had een fors postuur, niet dik maar stevig.
Ik toon u een foto met kenmerk PL17A0:09:001839.
Wat kunt u mij vertellen van de persoon die u op die foto ziet?
Ja, dat is hem. Ik zie het gelijk.
Ik denk dat zijn haar iets langer is op de foto.
Hij had mogelijk een ringbaardje dan wel ongeschoren.
Zijn hoofdhaar was korter, gemillimeterd.
3. Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 3 september 2015 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2013166182-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in — zakelijk weergegeven — (ongenummerde pagina's):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 26 juni 2015 heb ik aangever, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats], gehoord. Tijdens dit verhoor heb ik met toestemming van de officier van justitie een foto aan aangever getoond met nummer PL17A0:09:001839.
Ik zag dat deze foto, in het bedrijfsprocessysteem van de politie, toebehoorde aan [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats].
4. Een
proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 27 juni 2015 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL17 J0-2013166182-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (pagina 6 e.v.):

als de op 27 juni 2015 afgelegde verklaring van [getuige]:

[slachtoffer] reed op 1 juni 2013. Ik zat op de bijrijdersstoel. Een bestuurder van een zwarte voertuig stapte uit. [slachtoffer] voerde buiten de auto een gesprek met de bestuurder. Ik zag dat [slachtoffer] met de vlakke hand werd geslagen door de bestuurder van de zwarte auto. Gelijk daarna zag ik dat de bestuurder [slachtoffer] het gezicht stompte. [slachtoffer] kreeg een tweede stomp in het gezicht van de man.
5. Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 17 oktober 2015 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2013166182-11. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven — (ongenummerde pagina's ):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik, verbalisant [verbalisant], ben vanaf 2009 tot 2012 actief geweest binnen de Zenobuurt als wijkagent. Gedurende die periode had ik gemiddeld een keer per maand contact met de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats]. Na die tijd ben ik nog geregeld in contact geweest met de verdachte [verdachte] maar in mindere mate.
Het signalement van de verdachte [verdachte] is al die jaren vrijwel hetzelfde geweest. De kenmerken van het signalement van de verdachte [verdachte] die ongewijzigd bleven zijn de volgende.
De verdachte [verdachte] is ongeveer 180 cm lang, heeft een breed postuur. Zijn haren waren altijd kort opgeschoren aan de onderkant en korte stekels aan de bovenzijde, van zijn hoofd.
Ik, verbalisant, kan mij herinneren dat de verdachte [verdachte] altijd een kort getrimd ringbaardje had.
6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juni 2013 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700 2013166182-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (pagina 14 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op zaterdag 1 juni 2013 gingen wij naar de Slinge te Rotterdam. De melding luidde dat een man was mishandeld door de bestuurder van een Toyota Tundra kleur zwart en voorzien van het kenteken [AA-00-BB] tijdens een verkeersruzie.
Ter plaatse werden wij aangesproken door een man welke ons opgaf te zijn: [slachtoffer].
Hij vertelde ons onder meer het volgende:
De bestuurder van de (later gekentekende [AA-00-BB]) zwarte Toyota Tundra heeft mij geslagen.
Bij navraag van de politiesystemen bleek dat de Toyota Tundra wordt geleased door: [verdachte] Geboren [geboortedatum]-1959 te [geboorteplaats].”
6. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2016 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof kennis heeft genomen van de inhoud van de appelmemorie d.d. 21 juli 2015, alsmede van de inhoud van het daarbij gevoegde proces-verbaal van verhoor van de aangever.
(…)
De voorzitter merkt in dit verband op dat in de appelmemorie staat dat de verbalisant die de verdachte heeft verhoord de man op de aan de aangever getoonde foto met nummer PL17A0:09:01839 heeft herkend als de verdachte. Voorts merkt de voorzitter op dat het hof uit de stukken niet heeft kunnen afleiden dat zulks het geval is.
Desgevraagd door de voorzitter delen de advocaat-generaal en de raadsman mede dat zij hetgeen de voorzitter ten aanzien van de foto heeft opgemerkt evenmin uit de stukken hebben kunnen afleiden.
De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
- een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 maart 2016, betreffende de verdachte;
- de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing.”
7. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2016 houdt – voor zover relevant –het volgende in:
“Het hof hervat met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman – ondanks zijn gewijzigde samenstelling – het bij tussenarrest van 4 april 2016 heropende en geschorste onderzoek van de terechtzitting van 21 maart 2016 in de stand waarin het zich op het tijdstip der schorsing bevond.
(…)
De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
- een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 juli 2016, betreffende de verdachte;
- proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2015;
- proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] d.d. 26 juni 2015.
Desgevraagd door de voorzitter delen de raadsman en de advocaat-generaal mede dat geen nadere stukken behoeven te worden voorgehouden.”
8. Art. 301, vierde lid, dat ingevolge art. 415 Sv Pro eveneens in hoger beroep toepasselijk is, bepaalt dat ten bezware van de verdachte geen acht mag worden geslagen op stukken die overeenkomstig het eerste lid van art. 301 Sv Pro niet zijn voorgelezen of waarvan overeenkomstig het derde lid van hetzelfde artikel niet de korte inhoud is medegedeeld. Het voorschrift strekt ertoe te voorkomen dat de verdachte in de uitspraak wordt geconfronteerd met voor hem nadelige stukken waarvan hij de inhoud niet kent. Onder stukken ten nadele van de verdachte moeten worden verstaan die stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het ten laste gelegde, de strafbaarheid van het bewezene en de verdachte of de oplegging van de straf of maatregel. [1] Niet-naleving van art. 301, vierde lid, Sv levert in beginsel nietigheid op, tenzij blijkt dat de verdachte niet is getroffen in het belang dat het voorschrift beoogt te beschermen. [2] Van dat laatste kan sprake zijn indien de door de feitenrechter voor het bewijs gebezigde stukken ter terechtzitting ter sprake zijn gebracht, ondanks dat dit niet op de in art. 301 Sv Pro voorgeschreven wijze is gebeurd. [3] Indien de verdediging tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan het verder voorhouden van stukken, kan de conclusie gerechtvaardigd zijn dat de verdediging geen in rechte te respecteren belang heeft bij de klacht dat de stukken niet zijn voorgelezen dan wel de korte inhoud daarvan niet is medegedeeld. [4]
9. Uit de toelichting op het middel blijkt dat in het bijzonder wordt geklaagd dat het hof ten nadele van de verdachte een proces-verbaal als bewijsmiddel 5 heeft gebezigd, terwijl dit stuk in strijd met art. 301, vierde lid, Sv niet is voorgelezen of daarvan de korte inhoud is medegedeeld. Dit proces-verbaal, dat zich bij de stukken in cassatie bevindt, houdt een verklaring in van een verbalisant van 17 oktober 2015 over (onder meer) het signalement van de verdachte. De voorzitter heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2016 de korte inhoud medegedeeld van “de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van het onderzoek.” Gelet op deze mededeling meen ik dat ten aanzien van de door het hof voor het bewijs gebezigde stukken, waaronder het proces-verbaal van bevindingen van 17 oktober 2015, is voldaan aan het bepaalde in art. 301, vierde lid, Sv, in verbinding met art. 417 Sv Pro. Daarbij merk ik nog op dat het nadien heropende en geschorste onderzoek ter terechtzitting op 27 juli 2016 is hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bevond.
10. Daarbij komt het volgende. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2016 blijkt dat de raadsman heeft medegedeeld dat geen nadere stukken behoeven te worden voorgehouden. Daarmee vertoont de zaak gelijkenis met de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5707. Anders dan in HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, gaat het in dezen om een stuk dat is opgesteld in het kader van de onderzoek tegen de verdachte en niet om een stuk dat uit het dossier in de zaak tegen een medeverdachte wordt gelicht. In aanmerking genomen dat de raadsman heeft verklaard geen behoefte te hebben aan het verder voorhouden van stukken uit het dossier, meen ik dat de verdediging geen in rechte te respecteren belang heeft bij de klacht dat de stukken niet ter terechtzitting zijn voorgelezen, dan wel dat de korte inhoud daarvan aldaar niet is medegedeeld. [5]
11. Het middel faalt.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403. Zie ook Corstens/Borgers 2014, p. 705-706.
2.Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7952.
3.Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (PHR:2011:BN4351) bij HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351. Zie tevens mijn conclusie (PHR:2016:890) bij HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2069.
4.HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5707.
5.HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2069.