Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
13 september 2016.
Hoge Raad
Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens verduistering van een huurauto die hij na afloop van de huurperiode bleef gebruiken zonder toestemming van de verhuurder. De huurovereenkomst liep tot 31 juli 2013, maar de auto werd tot aan de aanhouding op 15 oktober 2013 door verdachte gebruikt. De verhuurder had herhaaldelijk geprobeerd contact te krijgen en de betaling was gestorneerd.
Verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was en dat de huurovereenkomst stilzwijgend was verlengd voor onbepaalde tijd. Het hof had dit verweer verworpen wegens gebrek aan steunbewijs en onvindbaarheid van verdachte. De Hoge Raad herhaalt de relevante criteria voor het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' zoals in eerdere jurisprudentie en oordeelt dat het hof het begrip correct heeft toegepast.
De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en dat de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd is. Het cassatieberoep faalt en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bewezenverklaring van verduistering wordt bevestigd.