Conclusie
“verduistering”veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Middel 1’ wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop het hof een met redenen omklede beslissing dient te nemen. Deze klacht voldoet m.i. echter niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel mogen worden gesteld, vormt dus geen middel als bedoeld in de wet en kan daarmee buiten bespreking blijven.
tweede middelklaagt over de bewezenverklaring van verduistering.
vervolgenswederrechtelijk heeft toegeëigend doordat hij deze onder zich hield en niet naar het politiebureau heeft gebracht.
is hij een [politie] bureau voorbijgeloopen of loopt hij den verkeenden kant uit”, dan kan al gauw geconcludeerd worden dat de vinder niet enkel als bewaarder wilde functioneren, zo stelde Taverne al in zijn noot bij HR 9 juni 1941, ECLI:NL:HR:1941:20,
NJ1941/742. [6]
NJ2009/497, werd een identiteitsbewijs aangetroffen in een woning waar een aanhouding werd verricht. Het identiteitsbewijs bleek twee jaar eerder te zijn gestolen uit een (andere) woning. De verdachte verklaarde het identiteitsbewijs vijf à zes dagen tevoren te hebben gevonden op straat en naar de politie te hebben willen brengen, maar voor zolang op het dressoir te hebben gelegd. Het hof overwoog dat de verdachte in die periode het identiteitsbewijs niet naar de politie had gebracht, dat kennelijk ook niet had willen doen en zich aldus het identiteitsbewijs wederrechtelijk had toegeëigend. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kon volgen dat de verdachte zich de identiteitskaart wederrechtelijk had toegeëigend en dat de bewezenverklaring derhalve in zoverre niet naar de eis der wet met redenen was omkleed. A-G Machielse merkte in zijn conclusie voor dit arrest op dat het enkele feit dat de verdachte het gevonden voorwerp vijf à zes dagen onder zich houdt onvoldoende is om verduistering te kunnen aannemen. Dat het hof naar alle waarschijnlijkheid geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van de verdachte dat hij het identiteitsbewijs naar het politiebureau wilde brengen, achtte de A-G op zichzelf, gelet op wat bekend was over de verdachte en zijn justitiële contacten, niet onbegrijpelijk, maar dat wil niet zeggen dat het zich toe-eigenen kon worden bewezenverklaard op basis van de gebruikte bewijsmiddelen, aldus Machielse. [11]