Belanghebbende, opgericht in 2004 en onderdeel van een fiscale eenheid, verkocht in 2005 vastgoed aan gelieerde partijen tegen onzakelijke prijzen. De Inspecteur corrigeerde de winst op basis van hogere zakelijke waarden, wat leidde tot een navorderingsaanslag. Het Hof Den Haag oordeelde dat het verschil tussen verkoopprijs en zakelijke waarde een uitdeling van winst vormde en dat deze niet kon worden toegevoegd aan een herinvesteringsreserve vanwege een bevoordelingsbedoeling.
In cassatie werd het oordeel van het Hof over het ontbreken van een voornemen tot herinvestering onvoldoende gemotiveerd bevonden. De Hoge Raad overweegt dat ook een fiscaal voordeel door gedeeltelijke onttrekking van een bedrijfsmiddel als opbrengst in de zin van artikel 3.54, lid 1, Wet IB 2001 moet worden beschouwd, waarmee het arrest BNB 1970/93 wordt teruggenomen.
De zaak wordt terugverwezen naar het Hof Amsterdam voor nader onderzoek naar het voornemen tot herinvestering. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.