Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Behandeling van de middelen
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende maakte deel uit van een fiscale eenheid en verkocht in 2005 verhuurde woningen aan de dga en diens kinderen tegen een prijs die lager was dan de marktwaarde volgens de Inspecteur. De panden waren vooraf getaxeerd op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode, maar de Inspecteur stelde een hogere waarde vast op basis van een uitpondscenario, waarbij rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat panden vrij van huur zouden worden verkocht.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de Inspecteur de waarde met voldoende bewijs aannemelijk had gemaakt en dat sprake was van een bevoordelingsbedoeling vanwege het aanzienlijke verschil tussen verkoopprijs en werkelijke waarde. Belanghebbende voerde tegenbewijs aan met eigen taxatierapporten, maar het Hof vond deze onvoldoende gelet op de deskundigheid van belanghebbende en de gewijzigde strategie om panden aan gelieerde partijen te verkopen.
De Hoge Raad bevestigde dat het Hof terecht uitging van het uitpondscenario en dat het oordeel over de bevoordelingsbedoeling niet onbegrijpelijk was. Wel oordeelde de Hoge Raad dat het Hof onjuist had geoordeeld dat de correctie niet aan de herinvesteringsreserve kon worden toegevoegd enkel omdat de opbrengst aan aandeelhouders zou worden uitgekeerd. De zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar het herinvesteringsvoornemen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar het herinvesteringsvoornemen.