Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Dotatie fiscale correcties aan de herinvesteringsreserve
2.De opbrengst van de vervreemding
Cornelisse [6] en
Wolvers [7] de uitspraak van de Hoge Raad correct, omdat het niet zou stroken met de strekking van de regeling (het voorkomen van een liquiditeits- en een rentenadeel) om bij het bepalen van de dotatie een brutoresultaat in aanmerking te nemen.
Cornelisseschrijft in dit verband:
werkelijkheidwordt genoten. De feitelijke opbrengst van het afgestoten activum is dus beslissend, en niet de waarde in het economische verkeer ervan (HR 18 maart 1970,
BNB1970/93 (…)). [13]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis dotatie van een gecorrigeerde verkoopprijs wel mogelijk wanneer de meerwaarde het vermogen van de verkoper niet heeft verlaten: [14]
V-N1995, p. 1296).
BNB2008/223; A-G] volgt, hetgeen in de lijn ligt van het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1970, nr. 16 322,
BNB1970/93, dient onder het begrip "opbrengst" de verkregen tegenprestatie te worden verstaan. Nu de tegenprestatie voor de ondergrond van de windturbine van de zoon slechts € 378 heeft bedragen, overstijgt deze opbrengst niet de boekwaarde dan wel de vrijgestelde waarde van de ondergrond.
BNB1986/200).
3.De verhouding tussen de VVR/HIR en de ruilarresten
BNB1981/172, is in latere jurisprudentie bevestigd. In HR
BNB1998/232 stemde de Hoge Raad in met toepassing van de ruilarresten in een geval waarin een belastingplichtige een pand uit zijn ondernemingsvermogen overbracht naar zijn privévermogen. [24] Ook in dit arrest was tussen partijen in cassatie niet in geschil dat ter zake van de onttrekking geen VVR kon worden gevormd.
BNB2010/336). Bij de door de wetgever in artikel 3.54 Wet IB 2001 getroffen regeling voor bedrijfsmiddelen is de aan de ruilarresten ten grondslag liggende gedachte in de wettelijke regeling geabsorbeerd. In een geval waarin een bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 3.54 Wet IB 2001 is vervreemd,
in welk geval derhalve een belastingplichtige in beginsel – dat wil zeggen behoudens de bij of krachtens de wet gestelde voorwaarden en beperkingen – op de voet van deze bepaling een herinvesteringsreserve kan vormen, is voor toepassing van de ruilarresten dan ook geen plaats. Indien in een dergelijk geval de bij de vervreemding van het bedrijfsmiddel behaalde winst is gereserveerd, moet het reserveren van deze winst geacht worden te hebben plaatsgevonden met toepassing van artikel 3.54 Wet IB 2001 (…). Aan een belastingplichtige komt in zoverre geen keuzemogelijkheid toe tussen toepassing van de in de wet neergelegde faciliteit en toepassing van de ruilarresten. (…)
Vakstudie Nieuwsis van oordeel dat de ruilarresten niet (langer) kunnen worden toegepast op bedrijfsmiddelen: [28]
Cornelisse, die meent dat ter zake van onttrokken bedrijfsmiddelen nog steeds de ruilarresten kunnen worden toegepast: [29]
BNB1981/172c* (…). Weliswaar refereert de Hoge Raad in zijn oordeel aan art. 3.54 Wet IB 2001 maar in het licht van de omstandigheid dat – bepaaldelijk met betrekking tot zogenoemde lange bedrijfsmiddelen – de huidige herinvesteringsreserve de voortzetting vormt van de voormalige vervangingsreserve ex art. 14 Wet Pro IB 1964 en overigens nergens uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever met de invoering van de herinvesteringsreserve de toepassing van de ruilarresten heeft willen uitsluiten met betrekking tot bedrijfsmiddelen die in beginsel vallen onder de reikwijdte van de herinvesteringsreserve is de motivering voor het door de Hoge Raad gegeven oordeel mijns inziens aan de magere kant. Het arrest zou aan overtuigingskracht hebben gewonnen indien de Hoge Raad nader zou hebben uiteengezet waarom afstand is genomen van HR,
BNB1981/172c*.
BNB1998/232*). (…)
BNB1998/232, [33] waarin een belastingplichtige een pand aan zijn ondernemingsvermogen had onttrokken en in datzelfde jaar zijn onderneming naar een nieuw aangeschaft pand verplaatste. De Hoge Raad oordeelde dat goed koopmansgebruik niet in de weg staat aan het afboeken van de met de onttrekking van het eerste pand behaalde boekwinst op de kostprijs van het nieuwe pand, maar laat een motivering dienaangaande achterwege:
Fiscale Encyclopedie de Vakstudiegemotiveerd als volgt: [36]
BNB1998/232*;
Red.), blijkt dat bij onttrekkingen wel de ruilarresten kunnen worden toegepast.
4.Herinvesteringsvoornemen
5.Beschouwing
Onttrekkingen: opbrengst in de zin van artikel 3.54 Wet IB 2001?
BNB1970/93 [53] heeft de Hoge Raad immers – kort gezegd – geoordeeld dat boekwinst die niet wordt ontvangen (i.e. boekwinst behaald wegens onttrekkingen) niet – overeenkomstig de strekking van de regeling – kan worden aangewend voor vervangende investeringen, zodat voor dotatie aan de vervangingsreserve geen plaats is. De Hoge Raad bevestigde in die zaak het oordeel van het hof, dat onder ‘opbrengst bij vervreemding’ daarom moet worden verstaan datgene wat bij vervreemding
in werkelijkheidwordt verkregen.
BNB2014/76 [59] is overwogen dat de wetgever met artikel 3.54 Wet IB 2001 heeft beoogd de aan de ruilarresten ten grondslag liggende gedachte in de wettelijke regeling te absorberen (zodat pas aan de ruilarresten wordt toegekomen indien geen HIR kan worden gevormd). [60]
BNB2008/223, [62] waarin is geoordeeld over de vraag of het begrip ‘opbrengst’ netto dan wel bruto moet worden geïnterpreteerd.
de bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel verkregen tegenprestatieverminderd met de rechtstreeks aan die vervreemding toerekenbare kosten’, juist is.
BNB1970/23 heeft geoordeeld, voor de uitleg van het begrip opbrengst in artikel 3.54 Wet IB 2001 aansluiting moet worden gezocht bij de winst die fiscaal wordt verantwoord, ook indien in deze winst bedragen in aanmerking zijn genomen ter zake waarvan slechts voor fiscale doeleinden (i.e. in werkelijkheid niet) een opbrengst is genoten.
Herinvesteringsvoornemen bij onttrekkingen aan de onderneming
BNB1970/23 de Hoge Raad zijn oordeel dat boekwinst wegens onttrekking geen opbrengst is, baseerde op de omstandigheid dat onttrekkingen niet kunnen worden aangewend voor de aankoop van een nieuw bedrijfsmiddel. Uit hetgeen ik in dit onderdeel van de beschouwing uiteen heb gezet, volgt dat het arrest ook op dit punt achterhaald c.q. onjuist is, en bovendien niet kan worden afgeleid uit de parlementaire toelichting bij de wettelijke regelingen.