Belanghebbende is eigenaar en exploitant van een recreatiepark met 70 recreatiechalets en 133 onroerende recreatiecaravans, die beschikken over voorzieningen zoals badkamer en kookgelegenheid. Permanente bewoning is volgens het bestemmingsplan niet toegestaan. De Rechtbank Gelderland oordeelde dat deze recreatiewoningen niet als woningen in de zin van de Gemeentewet kunnen worden aangemerkt omdat ze niet bestemd zijn voor permanente bewoning.
De Hoge Raad stelt echter dat de aard en inrichting van de recreatiewoningen, die geschikt zijn voor duurzaam menselijk verblijf, ertoe leiden dat zij als woningen moeten worden beschouwd, ongeacht het verbod op permanente bewoning. Dit oordeel wordt ondersteund door de parlementaire geschiedenis van artikel 220f van de Gemeentewet, waarin recreatiewoningen expliciet onder het begrip woning vallen.
De Hoge Raad vernietigt het oordeel van de Rechtbank en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar het subsidiaire geschilpunt over het percentage van de waarde dat aan woondoeleinden kan worden toegerekend. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het college van burgemeester en wethouders van Arnhem in de proceskosten.