ECLI:NL:HR:2016:2092

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2016
Publicatiedatum
15 september 2016
Zaaknummer
15/04913
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • D.G. van Vliet
  • C.B. Bavinck
  • P.M.F. van Loon
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof in belastingzaak en verwijst voor nader onderzoek herinvesteringsvoornemen

De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Hof Den Haag inzake aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en premie Ziekenfondswet over het jaar 2005.

De Hoge Raad beoordeelde de middelen van het principale beroep en oordeelde dat het eerste middel faalt, maar het tweede middel slaagt. Het incidentele beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nadere behandeling, specifiek gericht op de vraag of op de balansdatum van het jaar 2005 een voornemen tot herinvestering aanwezig was.

De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Den Haag is vernietigd en de zaak is verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor nader onderzoek naar het herinvesteringsvoornemen.

Uitspraak

16 september 2016
Nr. 15/04913
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 9 september 2015, nrs. BK-15/00178 en BK‑15/00179, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 13/6118 en 13/6119) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de premie Ziekenfondswet.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Ze heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 1 juli 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en tot ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie.

2.Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

2.1.
Het eerste middel faalt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 2.6.3 van het heden in de zaak met nummer 15/04483 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2.
Het tweede middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 3.2.2 en 3.2.3 van het heden in de zaak met nummer 15/04912 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Slotsom

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar de vraag of bij belanghebbende op de balansdatum van het onderhavige jaar een voornemen tot herinvestering aanwezig was.

5.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie gegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie ongegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.