ECLI:NL:HR:2016:2123

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2016
Publicatiedatum
20 september 2016
Zaaknummer
14/03383
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 402 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vonnis wegens ontbreken bewijsmiddelen in Antilliaanse strafzaak

In deze strafzaak tegen verdachte, geboren in 1982, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De advocaat van verdachte stelde middelen van cassatie voor, met als kern dat het hof het vonnis niet had aangevuld met de gebruikte bewijsmiddelen zoals vereist volgens artikel 402 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten.

De Hoge Raad constateerde dat het bestreden vonnis niet de bewijsmiddelen bevatte waarop de beslissing was gebaseerd en dat ook geen aanvulling was verstrekt, terwijl dit volgens artikel 402, lid 7 en 8 Sv verplicht is. De Hoge Raad herhaalde de eerdere rechtspraak dat het ontbreken van deze aanvulling leidt tot nietigheid van het vonnis.

De Hoge Raad oordeelde dat het vonnis niet aan de wettelijke vereisten voldoet en vernietigde het vonnis. De zaak werd terugverwezen naar het Gemeenschappelijk Hof om op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Hiermee wordt de waarborg van een deugdelijke motivering en transparantie in het strafproces gewaarborgd.

Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd wegens het ontbreken van de bewijsmiddelen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

20 september 2016
Strafkamer
nr. S 14/03383 A
KD/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 2 juli 2014, nummer H 13/2014, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd het bestreden vonnis aan te vullen met de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen.
2.2.
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich het bestreden vonnis, hetwelk niet de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen bevat. Bij die stukken bevindt zich evenmin een aanvulling als bedoeld in art. 402, zevende lid, Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: Sv) houdende de gebezigde bewijsmiddelen.
2.3.
De raadsman van de verdachte heeft op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad verzocht om toezending van bedoelde aanvulling. Ten vervolge hierop heeft het Hof aan de Hoge Raad bericht dat zo een aanvulling niet is opgemaakt.
2.4.1.
Art. 402 Sv Pro luidt:
"1. Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de vordering van de officier van justitie.
2. De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
3. De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten of omstandigheden.
4. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.
5. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.
6. Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.
7. Het vonnis wordt binnen vier maanden na de einduitspraak aangevuld met de in het derde lid bedoelde bewijsmiddelen indien de verdachte een rechtsmiddel heeft ingesteld dan wel indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt of de procureur-generaal dit vordert.
8. Behoudens het gestelde in het derde lid geschiedt alles op straffe van nietigheid."
2.4.2.
Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van voormeld art. 402 Sv Pro en op de samenhang tussen de leden 3, 7 en 8 van die bepaling, moet worden aangenomen dat de niet-vermelding van het zevende lid in lid 8 op een misslag berust (vgl. HR 19 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1353).
Lid 8 moet aldus worden verstaan dat het nietigheid stelt op de niet-naleving van alle in art. 402 vervatte Pro voorschriften met uitzondering van de overschrijding van de in lid 7 bepaalde termijn van vier maanden voor het aanvullen van het vonnis met de in lid 3 bedoelde bewijsmiddelen.
2.5.
Het bestreden vonnis voldoet niet aan het in art. 402, derde lid, Sv gestelde vereiste en kan daarom niet in stand blijven.
2.6.
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 september 2016.