Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het bij aanvullende schriftuur voorgestelde middel
– voor zover hier van belang – als volgt:
4.Beslissing
19 november 2013.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze cassatiezaak tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, heeft de verdachte beroep ingesteld tegen het oordeel dat het niet binnen vier maanden aanvullen van het vonnis met bewijsmiddelen ex art. 402, zevende lid, Sv Aruba niet leidt tot nietigheid van het vonnis.
De Hoge Raad heeft het middel dat dit wel het geval zou zijn verworpen, mede op basis van de toelichting bij de wijziging van het Wetboek van Strafvordering van Aruba. Hierin is aangegeven dat de termijn van vier maanden niet strikt tot nietigheid leidt, ondanks de tekst van lid 8 van art. 402 Sv Pro Aruba. Daarnaast werd een verzoek van de verdediging om een afschrift van het vonnis van een medeverdachte afgewezen door het Hof, omdat dit verzoek niet werd opgevat als een verzoek in de zin van art. 43 Sv Pro Aruba en het Hof het vonnis niet in bezit had.
De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel niet onbegrijpelijk was en geen onjuiste rechtsopvatting inhield. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 19 november 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het niet tijdig aanvullen van bewijsmiddelen leidt niet tot nietigheid en het verzoek om een afschrift van het vonnis van de medeverdachte wordt terecht afgewezen.