Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Beoordeling van het tweede middel
6.Slotsom
7.Beslissing
20 september 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld wegens belaging (art. 285b Sr). Verdachte had gedurende langere tijd herhaaldelijk contact gezocht met het slachtoffer, ondanks een civielrechtelijk contact- en straatverbod. Het hof achtte bewezen dat verdachte stelselmatig en wederrechtelijk inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer met het oogmerk haar te dwingen of vrees aan te jagen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte wist van het contactverbod en de locaties waar het slachtoffer werkzaam was. Hierdoor ontbrak een deugdelijke motivering van de bewezenverklaring. Tevens verduidelijkte de Hoge Raad dat het opzet van verdachte niet gericht hoeft te zijn op de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen, maar op het stelselmatig maken van inbreuk met het oogmerk te dwingen of vrees aan te jagen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de rechtseenheid omtrent het opzetvereiste bij belaging bevestigd en werd de motiveringsplicht van het hof benadrukt.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd en zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering bewezenverklaring.