Conclusie
verdachte.
aangifted.d. 5 september 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014155599-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 55-56):
[betrokkene 1]:
bevindingend.d. 29 januari 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500- 2014155599-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 168-170):
email,d.d. 18 juni 2014, kennelijk opgemaakt door [medeverdachte] en [verdachte].
Gevoerd verweer
NJ2013/394). De stelselmatigheid moet van dien aard zijn dat zij de gedragingen een indringend karakter geeft. Het gaat hierbij om het geheel aan bewezenverklaarde gedragingen, bezien in onderling verband en samenhang.
eerste middelklaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b Sr, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is en valt in meerdere deelklachten uiteen.
20.Het eerste middel faalt in alle onderdelen.
tweede middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat sprake is van voorwaardelijke opzet op het maken van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster, als bedoeld in art. 285b Sr, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
24.Het tweede middel faalt.
derde middelklaagt dat het hof in strijd met art. 1, tweede lid, Sr heeft geoordeeld dat ter zake van de bewezen verklaarde feiten, begaan in de periode van 26 juni 2009 tot en met 18 juni 2014, de tussentijds in werking getreden vrijheidsbeperkende maatregel van art. 38v Sr kon worden opgelegd. Subsidiair klaagt het middel over de motivering van de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.
1.Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
voor zoverdeze ziet op de bewezen verklaarde feiten in de periode van 26 juni 2009 tot 1 april 2012.