Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
4 oktober 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de stiefzoon van een slachtoffer immateriële schadevergoeding wegens shockschade werd toegekend na de doodslag op zijn moeder door de verdachte.
De Hoge Raad bevestigt dat aan de vereisten voor vergoeding van shockschade is voldaan, aangezien de stiefzoon getuige was van het dodelijke geweld en een medisch vastgesteld psychiatrisch ziektebeeld (PTSS) heeft. Het hof heeft het toewijzen van de immateriële schadevergoeding niet onjuist beoordeeld.
Echter oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de hoogte van de vergoeding is vastgesteld op €25.000, zonder concrete vaststellingen over de duur, intensiteit en herstelverwachting van het letsel, en zonder voldoende vergelijking met andere zaken. Daarom vernietigt de Hoge Raad dit deel van het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de schadevergoeding.
De overige onderdelen van het beroep worden verworpen. De Hoge Raad herhaalt de relevante criteria uit eerdere jurisprudentie omtrent shockschade en benadrukt de strikte voorwaarden voor vergoeding van immateriële schade in het strafrecht.
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een zorgvuldige motivering van de hoogte van de shockschadevergoeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt de hoogte van de shockschadevergoeding van €25.000 en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.