Conclusie
De namens verdachte voorgestelde middelen
Middel I Verdachte
eerstemiddel klaagt dat in de aanvulling met de bewijsmiddelen niet met voldoende mate van nauwkeurigheid is aangegeven in verband met welke van de 82 bewezenverklaarde feiten de bewijsmiddelen zijn gebezigd en evenmin voldoende is aangegeven op welke pagina’s van de tot het bewijs gebezigde stukken de in de aanvulling opgenomen passages zijn terug te vinden. Voor de verdediging wordt daarmee de controlefunctie in cassatie bemoeilijkt en vertraagd en daarom is de bewezenverklaring niet naar behoren gemotiveerd.
Middel II Verdachte
tweedemiddel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van de feiten 33 en 44 tot en met 80 ten onrechte, althans ontoereikend heeft gemotiveerd door deze mede te baseren op “de feiten ten aanzien van seksueel misbruik waarvoor het bewijs gevonden kan worden in de bekennende verklaring(en) van de verdachte én in opnamen (de feiten 1 t/m 32 en 34 t/m 43)”. Zonder dit “schakelbewijs” steunt de bewezenverklaring van deze feiten uitsluitend op de verklaring(en) van verdachte en is de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Voorts komt het middel op tegen ‘s Hofs verwerping van een dienaangaand namens verdachte gevoerd verweer.
Middel III Verdachte
derdemiddel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten bij de bewezenverklaring van de volgende 26 feiten: 1, 2, 4, 6, 7, 8, 9, 12, 17, 20, 23, 25, 27, 30, 31, 32, 34, 35, 36, 37, 39, 40, 41, 43, 66 en 76. Het heeft immers bij de bewezenverklaarde feitelijke handelingen geen keuze gemaakt en telkens “en/of” laten staan, zodat de mogelijkheid open blijft dat de feitelijke handelingen enkel bestonden uit ontuchtige handelingen in de zin van 247 Sr in plaats van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het kind zoals strafbaar gesteld in art. 244 Sr Pro.
Middel IV Verdachte
vierdemiddel klaagt dat het Hof ten aanzien van de feiten 2, 3, 4, 9, 10, 11, 39 en 45 bij de kwalificatie voor een deel van de bewezenverklaarde periode de strafverzwarende omstandigheid van art. 248 Sr Pro zoals in werking getreden op 1 januari 2010 heeft betrokken, terwijl uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen ook op of na 1 januari 2010 hebben plaatsgevonden.
Middel V Verdachte
vijfdemiddel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te motiveren waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot strafvermindering.
Middel VI Verdachte
zesdemiddel klaagt dat de beslissing van het Hof om in het arrest niet te adviseren dat de terbeschikkingstelling eerder dient aan te vangen dan de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling onbegrijpelijk is.
Middel VII Verdachte
zevendemiddel komt op tegen de beslissing van het Hof om verdachtes diploma SPW, de verklaring omtrent het gedrag en het diploma eerste hulp aan kinderen verbeurd te verklaren.
Middel VIII Verdachte
achtstemiddel komt op tegen ’s Hofs beslissing tot de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen.
Middel IX Verdachte
negendemiddel klaagt, mede gezien de daarop gegeven toelichting, dat het Hof de namens verdachte gevoerde verweren met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen zonder nadere motivering heeft verworpen en dat aldus de beslissingen van het Hof op die vorderingen niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed. De gevoerde verweren laten zich, aldus het middel, als volgt samenvatten:
Middel X Verdachte
tiendemiddel is tijdig bij aanvullende schriftuur voorgesteld en klaagt dat het Hof niet, althans ontoereikend heeft gerespondeerd op het verweer dat de door de benadeelde partijen gevorderde kosten van rechtsbijstand niet onder het bereik van art. 592a Sv vallen, althans dat de beslissing van het Hof tot toekenning van deze kosten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
artikel333 d3oet, over de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid
artikel51g, vierde lidbedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.”
Conclusie middelen verdachte
Beoordeling van de namens benadeelde partijen voorgestelde middelen
Middel I Benadeelde partijen:
Middel II en V Benadeelde partijen:
tweedemiddel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de gevorderde vergoeding van geleden materiële schade, zoals de reiskosten en vervanging van meubilair, niet als verplaatste schade in de zin van art. 6:107 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komt. Het
vijfdemiddel klaagt, in samenvattende zin, dat een aantal gevorderde kosten van de benadeelde partijen materiële schade betreft die als rechtstreeks door het kind geleden schade heeft te gelden en die de ouders als wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige kinderen hebben gemaakt, omdat zij daartoe gehouden waren op grond van art. 1:247 BW Pro. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Middel III Benadeelde partijen:
derdemiddel klaagt dat het Hof de vorderingen voor zover deze betrekking hebben op de schending van het recht op “family life” als vervat in art. 8 EVRM Pro ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
Middel IV Benadeelde partijen:
vierdemiddel behelst de klacht dat het Hof heeft miskend dat met het aanhalen van HR 9 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9959 bedoeld is dat de daarin gebruikte interpretatiemethode ook zou moeten worden toegepast in de onderhavige zaak.