De zaak betreft executoriaal beslag dat Servaas Inc. heeft gelegd op vorderingen die de staat Irak zou hebben op Nederlandse vennootschappen. De Staat der Nederlanden stelde dat dit beslag in strijd was met de volkenrechtelijke immuniteit van executie die vreemde staten toekomt. Het hof Amsterdam oordeelde dat zonder aanwijzingen van een publieke bestemming van de goederen en zonder verklaring van de vreemde staat geen immuniteit geldt.
De Hoge Raad stelt echter dat het uitgangspunt moet zijn dat eigendommen van vreemde staten immuniteit genieten tenzij de beslaglegger aannemelijk maakt dat de goederen voor andere dan publieke doeleinden worden gebruikt. Dit volgt uit het VN-Verdrag en internationaal gewoonterecht. De bewijslast rust op de beslaglegger, ook als de vreemde staat niet verschijnt in rechte.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Servaas in de kosten van het cassatiegeding.