ECLI:NL:HR:2016:2372

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2016
Publicatiedatum
14 oktober 2016
Zaaknummer
15/02860
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:127 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verrekening vorderingen bij afwikkeling nalatenschap en uitsluiting verrekening in akte van verdeling

In deze zaak stond de verrekening van vorderingen bij de afwikkeling van een nalatenschap centraal, waarbij de vraag speelde of een tijdig uitgebrachte verrekeningsverklaring rechtsgeldig was en of de uitsluiting van verrekening in een akte van verdeling bindend was. De zaak betrof meerdere erfgenamen en verweerder, waarbij het geschil was ontstaan over de toepassing van artikel 6:127 BW Pro.

De procedure begon bij de rechtbank Gelderland met vonnissen in 2013 en 2014, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2015 uitspraak deed. Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld door de eisers, terwijl de verweerder in cassatie niet was verschenen. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen en de eisers werden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Deze uitspraak bevestigt de geldende rechtspraak omtrent verrekening in nalatenschapsafwikkeling en benadrukt het belang van tijdige en duidelijke verrekeningsverklaringen en de rechtsgeldigheid van uitsluiting van verrekening in akten van verdeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

14 oktober 2016
Eerste Kamer
15/02860
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
in persoon en als enig erfgenaam van [A],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiseres 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. T.T. van Zanten,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Eisers tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en verweerder in cassatie als [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/05/241399/HA ZA 13-217 van de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2013 en
5 februari 2014;
b. het arrest in de zaak 200.148.256 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eisers] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 oktober 2016.