Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
25 oktober 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak betrof het beroep in cassatie de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep. De verdachte had tijdens een politieverhoor een adres in Voorthuizen opgegeven als postadres. Dit adres was relevant voor het tweede tenlastegelegde feit, de verduistering van een bruine Opel Corsa.
Het hof had geoordeeld dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend, ondanks dat de dagvaarding niet was aangeboden op het opgegeven adres in Voorthuizen, maar aan de griffier van de rechtbank was uitgereikt en in afschrift naar andere adressen was verzonden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte aannam dat het opgegeven adres niet als feitelijke woon- of verblijfplaats kon gelden omdat het in een ander dossier was opgegeven.
De Hoge Raad herhaalde dat volgens vaste rechtspraak een dagvaarding niet als rechtsgeldig kan worden beschouwd als niet is geprobeerd deze uit te reiken op een voor de hand liggend adres dat door verdachte is opgegeven. Daarom verklaarde de Hoge Raad de dagvaarding in hoger beroep nietig en vernietigde het bestreden arrest, waarna de zaak werd terugverwezen voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig wegens het niet uitreiken aan het door verdachte opgegeven adres.