3.25. Bij het vorenstaande moet worden opgemerkt dat de feitenrechter op grond van onderzoek alsnog tot de conclusie kan komen dat een feitelijke woon- of verblijfplaats ontbreekt, bijvoorbeeld indien de verdachte een adres heeft opgegeven waarvan hij volgens later verkregen GBA-gegevens voordien reeds was vertrokken, terwijl de dagvaarding vergeefs is aangeboden aan dat door de verdachte opgegeven adres en ook niet is gereageerd op het aldaar achtergelaten bericht van aankomst. Maar als de rechter desondanks ervan uitgaat dat het eerder door de verdachte opgegeven adres nog steeds zijn feitelijke woon- of verblijfplaats is, is de betekening van de dagvaarding eerst geldig indien zij is geschied met inachtneming van de hiervoor onder 3.17 en 3.18 vermelde regels.”
6. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van dit middel relevant, het volgende in:
- Het veroordelende vonnis van de rechtbank van 29 september 2009 is gewezen op tegenspraak (gemachtigde raadsman mr. A.D. Kloosterman; verdachte niet verschenen) en vermeldt na de personalia van de verdachte: zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
- Het hoger beroep is namens verdachte ingesteld door mr. A.D. Kloosterman op 29 september 2009 en de akte vermeldt na adres: Z.V.W.O.V.H.T.L.
- De dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2012 te verschijnen is niet aangeboden op enig adres, maar uitgereikt aan de griffier, daar van de verdachte geen woon- of verblijfplaats hier te lande bekend was. Verzending per gewone brief heeft evenmin plaatsgevonden.
- Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 28 februari 2012 houdt onder meer in: “Ter terechtzitting is aanwezig mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. (…) De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding op 10 januari jl. is uitgereikt aan een griffiemedewerker. Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan. De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over. De advocaat-generaal deelt mede dat verdachte op 6 december 2011 is uitgezet naar Colombia.”
- Blijkens de ID-staat SKDB van 7 februari 2012 is de verdachte sinds 6 maart 2008 zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande; volgens de historische gegevens stond hij vanaf 25 augustus 2005 ingeschreven op [a-straat 1] te [plaats] en aan die datum voorafgaande vanaf 26 november 1998 op [b-straat 1] te [plaats].
- In zijn (enige) verhoor bij de politie op 15 oktober 2008 (p. 47 dossier) valt het volgende te lezen: “De verdachte gaf mij op (…): Adres: [b-straat 1]. Plaats: [plaats]. Tevens postadres voor meldingen in strafzaken. (…) Ik sta ingeschreven bij mijn moeder in [plaats]. Ik slaap daar soms. (…) Ik slaap meestal bij mijn vriendin op [c-straat 1], zij heet [betrokkene 1]. Wij zijn van plan samen te gaan wonen. (…) [betrokkene 1] woont op [c-straat] samen met haar moeder.”
- Een proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2008 (p. 29 dossier) inhoudende: “De verdachte [verdachte] verklaarde mij, verbalisant, in zijn verhoor d.d. 15 oktober 2008 dat hij woonachtig is bij zijn vriendin “[betrokkene 1]” op [c-straat 1] te Amsterdam. Bij onderzoek in de Gemeentelijke Basisadministratie op het adres [c-straat 1] bleek er niemand met de voornaam “[betrokkene 1]” ingeschreven te staan. Ook in het computersysteem Xpol komt niemand voor op [c-straat 1] met de naam “[betrokkene 1]”. Blijkens GBA staan er op [c-straat 1] een drietal personen ingeschreven te weten: [betrokkene 2] ([geboortedatum]-1978), [betrokkene 3] ([geboortedatum]-1998) en [betrokkene 4] ([geboortedatum]-2008). Op donderdag 16 oktober te 19.45 uur heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld naar het perceel [c-straat 1]. Op mijn aanbellen werd niet opengedaan. Op het naambordje stond de naam [betrokkene 2]. De buurvrouw van [c-straat 2] verklaarde dat naast haar een buurvrouw met haar kinderen woonde. Zij wist niet of er een manspersoon woonachtig was. Het telefoonnummer van “[betrokkene 1]” welke door aangever [betrokkene 5] aan mij, verbalisant, is gegeven heb ik meerdere malen tevergeefs gebeld. Er werd echter niet opgenomen.”
- De kennisgeving van het arrest van het hof is op 9 januari 2019 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Bij de stukken bevindt zich ook een kennisgeving van 20 januari 2020 van hetzelfde arrest. Een daarbij behorende akte van uitreiking heb ik niet bij de stukken aangetroffen.
- Kennelijk in verband met de zojuist bedoelde kennisgevingen zijn op 9 januari 2019 en op 20 januari 2020 gegevens opgevraagd uit de Informatiestaat SKDB-persoon. De gegevens van 9 januari 2019 houden in dat verdachte op 6 maart 2008 is vertrokken onbekend waarheen (VOW) en dat een laatst opgegeven woon- of verblijfplaats niet beschikbaar is. De gegevens van 20 januari 2020 houden in dat verdachte per 31 december 2019 staat ingeschreven op het woonadres [d-straat 1] te [plaats]. Uit de vermelde historische gegevens blijkt dat hij vanaf 28 maart 2019 stond ingeschreven het woonadres [e-straat 1] [plaats]. Voor die tijd stond geregistreerd dat hij vanaf 6 maart 2008 een onbekend adres had in een onbekend land.
7. In het hierboven geciteerde arrest uit 2002 noemt de Hoge Raad bij de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg uitdrukkelijk het voorbeeld van een bij zijn verhoor door de politie met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken opgegeven adres. Bij de betekening van de dagvaarding in hoger beroep wordt dat voorbeeld niet genoemd.
8. In een arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2414 inzake de geldigheid van en dagvaarding in hoger beroep werd in r.o. 2.3. overwogen: 9. “2.3. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3º, Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier van de rechtbank indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, zoals het adres dat door de verdachte bij zijn verhoor door de politie of de rechter-commissaris is opgegeven (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317).” 9. Voor zover van belang vermeld ik iets over de feiten van de zaak van 2016. De verdachte had daar bij gelegenheid van haar verhoor door de politie een adres opgegeven als adres waarop zij haar post kon ontvangen en de politie had bevonden dat zij op dit adres verbleef. In deze zaak was in hoger beroep de verdediging gevoerd door een gemachtigde raadsman. Die raadsman had een beroep gedaan op de nietigheid van de appeldagvaarding omdat er sprake is van een adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van cliënte geldt.
10. Het vermelde arrest van 2016 voegt een geval toe aan de voorbeelden genoemd bij de betekening van de appeldagvaarding in het arrest uit 2002. In de hier besproken zaak heeft de verdachte bij de politie een tweetal adressen opgegeven en de vraag is nu of (één van) de adressen hebben (heeft) te gelden als een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Het komt mij voor dat beide door verdachte opgegeven adressen als feitelijke verblijfplaats van verdachte kunnen worden aangemerkt. Verdachte geeft namelijk bij de politie te kennen dat hij op het adres van zijn moeder soms slaapt en op het adres van zijn vriendin meestal slaapt. Daar komt voor het adres van moeder nog bij zijn opgave van dat adres als postadres voor meldingen in strafzaken.
11. De volgende vraag is nu of sprake is van een adres dat ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting van het hof op 28 februari 2012 als achterhaald kon worden aangemerkt. Uit de onder randnummer 6 vermelde Informatiestaten blijkt dat verdachte tussen 6 maart 2008 en 28 maart 2019 en dus ook ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande was, dat hij is “vertrokken onbekend waarheen (VOW) en dat een laatst opgegeven woon- of verblijfplaats niet beschikbaar is.” Uit het proces-verbaal van politie blijkt van onderzoek naar het opgegeven adres en telefoonnummer van de vriendin. Voorts is er de mededeling van de advocaat-generaal bij het hof op de zitting, te weten dat de verdachte op 6 december 2011 is uitgezet naar Colombia.
12. Het komt nu aan op de betekenis van deze omstandigheden voor het al dan niet achterhaald zijn van de opgegeven adressen. Er zijn de al onder randnummer 9 gesignaleerde verschillen met de vermelde zaak uit het arrest van 2016 waarin de procedure in hoger beroep op tegenspraak was, de gemachtigde raadsman een beroep op nietigheid van de appeldagvaarding heeft gedaan en de politie juist had bevonden dat verdachte op het opgegeven adres verbleef. De eerste twee verschillen zijn hier niet relevant. Op het politieonderzoek naar een adres kom ik terug.
13. De gegevens uit de Informatiestaten met als beginpunt van de periode 6 maart 2008 achterhalen de opgave van de adressen van 15 oktober 2008 niet. De enkele omstandigheid dat verdachte (ten onrechte) verklaart dat hij nog bij zijn moeder staat ingeschreven maakt dit niet anders. Het politieonderzoek naar het opgegeven adres van de vriendin vormt geen bevestiging van het opgegeven adres, maar sluit evenmin zonder meer uit dat dit opgegeven adres een verblijfplaats van verdachte is. Ook de uitzetting van verdachte naar Colombia op 6 december 2011 staat er niet aan in de weg dat verdachte via de opgegeven adressen kan worden bereikt en zo bijvoorbeeld gelegenheid wordt geboden om een verzoek om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting te doen teneinde in persoon te kunnen verschijnen dan wel een gemachtigde raadsman voor zich te laten optreden.
14. In het dossier zijn geen aanwijzingen te vinden dat een poging is gedaan om de verdachte op enig adres in hoger beroep te dagvaarden of per brief te bereiken. Verdachte heeft bij zijn verhoor op 15 oktober 2008 zowel verblijfadressen als een adres waar gerechtelijke mededelingen in ontvangst kunnen worden genomen opgegeven. Deze adressen konden ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting van het hof op 28 februari 2012 niet als achterhaald worden aangemerkt. Gelet hierop kan zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet zonder meer blijken dat de dagvaarding in hoger beroep gelet op art. 588, eerste lid aanhef en onder b (oud) Sv geldig is betekend.
15. Het
eerste middelslaagt.
16. Nu het eerste middel slaagt ontbreekt een belang om de overige middelen te bespreken. Om doelmatigheidsredenen kan de Hoge Raad de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaren.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden