Belanghebbende, een transportondernemer, kreeg veertig naheffingsaanslagen opgelegd wegens het gebruik van zware motorrijtuigen op de autosnelweg zonder vooraf betaling van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting. De Inspecteur legde per aanslag ook een boetebeschikking op. Na bezwaar vernietigde de rechtbank de boetebeschikkingen en stelde deze vast op € 100 per verzuim. De Inspecteur ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het hof oordeelde dat elk gebruik zonder betaling een afzonderlijk verzuim vormt en dat belanghebbende veertig verzuimen had begaan. Het hof achtte echter aannemelijk dat de verzuimen per motorrijtuig terug te voeren waren op één fout van een werknemer en dat belanghebbende de fout had hersteld door alsnog jaarvignetten aan te vragen. Daarom verlaagde het hof de boetes tot in totaal € 160 per motorrijtuig, verdeeld over de verzuimen.
In cassatie stelde de Staatssecretaris onder meer dat de boete niet lager mocht worden vastgesteld dan door de rechtbank als eerste aanleg, tenzij de belastingplichtige zelf hoger beroep had ingesteld. De Hoge Raad bevestigde dat de hogerberoepsrechter bij betwisting van de strafmaat door de Inspecteur de boete passend moet vaststellen, ook als de belastingplichtige geen hoger beroep instelt. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.