Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof Den Haag betreffende de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij een aanslag inkomstenbelasting 2005.
De rechtbank had vastgesteld dat de Inspecteur een overschrijding van één jaar en vier maanden had veroorzaakt en een vergoeding van €1500 toekende. Het hof had echter het incidentele hoger beroep van de Inspecteur geaccepteerd, ondanks te late indiening, en de vergoeding verlaagd naar €500.
De Hoge Raad oordeelt dat een partij die ten opzichte van de uitspraak van de rechtbank er op vooruit wil gaan tijdig (incidenteel) hoger beroep moet instellen. Het hof had ten onrechte het te late incidentele hoger beroep geaccepteerd, waardoor de lagere vergoeding onjuist was.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van belanghebbende.