Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
,-en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 22 oktober 2013.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene vroeg op 6 november 2010 een toeslag aan en gaf onjuist aan geen inkomsten te hebben, terwijl zij vanaf 2007 nabestaandenpensioenen ontving. Appellant trok de toeslag in en legde een boete van € 8.695,02 op wegens overtreding van de inlichtingenplicht. De rechtbank matigde deze boete tot € 2.000,-, rekening houdend met overgangsrecht en persoonlijke omstandigheden.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze matiging en voerde aan dat het nieuwe, strengere boeteregime van 2013 van toepassing is op de voortdurende overtreding. Betrokkene stelde dat de pensioenen uit het dienstverband van haar echtgenoot kwamen en zij niet bewust onjuiste informatie gaf.
De Raad oordeelde dat het strengere boeteregime niet retroactief mag worden toegepast op overtredingen voor 1 januari 2013 vanwege het legaliteitsbeginsel en internationale verdragsbepalingen. Er is geen sprake van een wettelijk vastgestelde boete, zodat de boete moet worden afgestemd op ernst en verwijtbaarheid. De Raad stelde vast dat betrokkene een duidelijke vraag onjuist beantwoordde zonder opzet, en dat appellant adequaat heeft gehandeld.
De Raad concludeerde dat de rechtbank een te hoge boete heeft opgelegd en stelde een evenredige boete vast van € 1.350,-. De uitspraak vervangt het bestreden besluit en bevestigt het overige van de rechtbankuitspraak.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op € 1.350,- in plaats van € 2.000,- wegens onjuiste opgave bij toeslagaanvraag met toepassing van overgangsrecht en evenredigheidstoets.