ECLI:NL:HR:2016:2629

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2016
Publicatiedatum
17 november 2016
Zaaknummer
15/04202
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:305a BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aansprakelijkheid curator in faillissementsboedel

In deze zaak hebben twee schuldeisers cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de curator van het faillissement van een vennootschap onder firma werd vrijgepleit van aansprakelijkheid voor de wijze van afwikkeling van de boedel.

De schuldeisers vorderden schadevergoeding of een andere wijze van belangenbehartiging op grond van artikel 3:305a BW, stellende dat de curator aansprakelijk zou zijn voor fouten in de boedelafwikkeling. De curator was in cassatie verstekelijk verschenen.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten, en oordeelt dat de klachten van de schuldeisers niet leiden tot cassatie, mede omdat deze geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad bevestigt daarmee dat de curator niet persoonlijk aansprakelijk is voor boedelschulden en dat de vordering van de schuldeisers niet toewijsbaar is. De kosten van het cassatiegeding worden aan de schuldeisers opgelegd, maar tot nihil begroot aan de zijde van de curator.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de schuldeisers wordt verworpen en de curator wordt niet persoonlijk aansprakelijk gehouden.

Uitspraak

18 november 2016
Eerste Kamer
15/04202
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
,
2. [eiseres 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats]
,
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: aanvankelijke mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, thans mr. F.I. van Dorsser,
t e g e n
Arthur Johannes SWEENS,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap onder firma [A] en Zonen en pro se,
kantoorhoudende te [plaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en de curator.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 410017/HA ZA 12-20 van de rechtbank Den Haag van 14 november 2012;
b. het arrest in de zaak 200.125.955/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 december 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de curator is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil.ef.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
18 november 2016.