Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 23 december 2014
[MV],
2.
J. [V] Contractteelt B.V.,
appellanten,
J. [V] en Zonenen pro se,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(a) De vennootschap onder firma J. [V] en Zonen (hierna: de firma [V]) is op 17 juni 2004 in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator als zodanig. De directeuren/aandeelhouders van de vennoten van de firma [V] waren W.P.M. [V] en P.J.M. [V] (hierna: de heren [V]). [MV] is opgericht op 16 december 2010 door onder meer W.P.M. [V], die als voorzitter van deze vereniging is benoemd. De statutaire doelstelling van de vereniging is: ‘het maximaliseren van de failliete boedel van [de firma [V]] en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.’ W.P.M. [V] is voorts bestuurder van JVC, die stelt een schuldeiser in het faillissement te zijn.
(b) De curator heeft met de heren [V] gesproken over vorderingen die de firma [V] volgens de heren [V] had op verschillende debiteuren, in het bijzonder op de maatschap J. [B] (hierna: [B]) en op de maatschap [T] (hierna: [T]). De curator heeft naar aanleiding hiervan toestemming gegeven een vordering tegen [B] in te stellen bij het Scheidsgerecht voor de Bloembollenhandel, dat de vordering bij arbitraal vonnis van 1 maart 2007 heeft afgewezen. Tussen de curator en W.P.M. [V] was afgesproken dat de kosten van de arbitrage – deze bedroegen volgens [MV] c.s. € 17.612,84 – niet ten laste van de boedel zouden komen.
De gestelde vordering tegen [T] is namens de curator gestuit in november 2008.
(c) Tussen de curator enerzijds en de heren [V] en JVC anderzijds zijn besprekingen gevoerd over de mogelijkheid van cessie van vorderingen van de boedel aan hen en het voeren van procedures tegen debiteuren van de boedel. Bij brief per telefax van 26 februari 2009 heeft de curator aan mr. Stam (de toenmalige advocaat van de heren [V] en JVC) bericht:
‘In ons overleg op 1 december jl. is wel het voeren van een aantal procedures aan de orde geweest. Ik heb u daarbij mijn voldoende standpunt gegeven:
(a) voordat ik beslis over het voeren van procedures, verlang ik een deugdelijk procesadvies;
(b) er dient duidelijkheid te zijn over de financiering;
(c) er dient dekking te zijn voor de boedelkosten (onder andere voor mogelijke proceskostenveroordeling bij verlies van de procedure);
(d) per procedure dient toestemming te zijn gevraagd en verkregen van de rechter-commissaris.’
(d) Op 14 april 2010, ter gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris op de voet van artikel 67 Fw Pro., hebben de curator en (onder meer) JVC de volgende afspraak gemaakt, neergelegd in het proces-verbaal van die zitting:
‘1. JVC zal de curator een memorandum ter hand stellen waarin per vordering die JVC wenst gecedeerd te krijgen een analyse wordt opgenomen waarin in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de volgende aspecten:
- titel en omvang van de vordering en de partij waartegen deze is gericht;
- stukken die de vordering onderbouwen;
- het standpunt van de wederpartij tegen de vordering;
- een analyse van de proceskansen.
Het memorandum en de analyse zullen kernachtig moeten zijn en de bewijsstukken zullen inzichtelijk en behoorlijk geordend moeten worden gepresenteerd.
2. De curator zal uiterlijk een maand na ontvangst van genoemd memorandum een standpunt innemen ten aanzien van de daarin genoemde vorderingen en dat standpunt schriftelijk en gemotiveerd aan JVC uiteenzetten, waarbij de curator – voor zover van toepassing – zich zal sterk maken voor de vereiste machtiging van de rechter-commissaris. In de gevallen waarin de curator medewerking aan de cessie weigert zullen partijen zich, indien JVC dat wenst, met enkel de tussen hen gewisselde stukken wenden tot de rechter-commissaris om ter zake een beslissing te geven.’
(e) Bij brief van 13 november 2010 heeft de toenmalige advocaat van de heren [V] en JVC, mr. Stam, aan de curator bericht:
‘Na de door mij als bijzonder onaangenaam en louter op destructie gerichte zitting voor de rechter commissaris van vrijdag 12 november 2010 beschouw ik de onderhandelingen over de overname van de vorderingen, voorzoveel die nodig waren en/of gevoerd, als beëindigd.’
(f) Op 16 december 2010 is [MV] opgericht.
(g) Bij beschikking van 3 februari 2011 heeft de rechter-commissaris een verzoek ex artikel 69 Fw Pro. van onder meer JVC om de curator te gelasten ‘een gedegen en met relevante stukken onderbouwde analyse te doen maken van de op de aangehechte lijst genoemde vorderingen en zijn conclusie juridische en feitelijk te onderbouwen en deze ter kennis te brengen van verzoekers minimaal in hun kwaliteit van schuldeiser/belanghebbende van/bij een zo groot mogelijke omvang van de boedel’ afgewezen. De rechter-commissaris heeft daarbij overwogen:
‘(…)
De curator heeft voldoende duidelijk gemaakt waarom hij in de hem ter beschikking staande gegevens geen aanleiding ziet voor nadere actie (cessie, procederen, verdere analyse) namens de boedel. Bij gebreke van deugdelijke memoranda/procesadviezen of andere argumentatie van de zijde van JVC/[V] cs, waarin wordt toegelicht waarom dit anders zou moeten zijn, zie ik geen aanleiding de curator te gelasten als door u verzocht.
(…)
Volledigheidshalve laat ik u weten dat ik niet alleen geen aanleiding zie de curator te gelasten per vordering een onderbouwde analyse te maken, maar dat ik, op dezelfde gronden, evenmin aanleiding zie de curator te gelasten vorderingen te cederen dan wel met betrekking tot deze vorderingen gerechtelijk procedures te starten.’
1. betaling door de curator, zowel q.q. als pro se, aan de boedel van € 80.588,-- en
€ 54.225,36 ter zake van twee nader omschreven vorderingen op debiteuren van de boedel, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten;
2. een verklaring voor recht dat de werkwijze van de curator ten aanzien van de overige vorderingen op debiteuren van de boedel identiek is geweest aan die met betrekking tot de in het petitum onder 1 bedoelde twee vorderingen en dat hij aldus aansprakelijk is q.q. en pro se, met veroordeling van de curator q.q. en pro se tot vergoeding van de door hem veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente;
3. betaling door de curator, zowel q.q. als pro se, aan JVC van € 17.612,84, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten;
4. veroordeling van de curator, zowel q.q. als pro se, in de proceskosten.
Zij stellen daartoe, kort gezegd, dat de curator bij de afwikkeling van het faillissement in strijd heeft gehandeld met de terzake geldende zorgvuldigheidsnorm door de vorderingen tegen [B] en [T] niet te (laten) innen en te weigeren deze vorderingen te verkopen. Daardoor zijn de schuldeisers in het faillissement van de firma [V] benadeeld. De curator is volgens [MV] c.s. aansprakelijk voor de schade van de schuldeisers, zowel in zijn hoedanigheid als persoonlijk. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen.
c.s. stellen voorts dat JVC de kosten van de arbitrageprocedure tegen [B] ten bedrage van € 17.612,84 heeft betaald. Doordat de curator de vordering tegen [B] niet heeft geïncasseerd, moeten die kosten worden aangemerkt als schade, veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van de curator, aldus [MV] c.s. In eerste aanleg hadden [MV] c.s. in een incident betaling van dit bedrag bij wijze van voorlopige voorziening (voor de duur van het geding in de hoofdzaak) gevorderd. De rechtbank heeft die vordering bij gebrek aan belang afgewezen omdat deze geen deel uitmaakte van de vordering in de hoofdzaak en de voorlopige voorziening zou vervallen als de hoofdzaak in deze instantie eindigt. De rechtbank heeft aanstonds een einduitspraak in de hoofdzaak gedaan.
opde boedel die niet verenigbaar is met de door [MV] gevorderde voldoening van bedragen
aande boedel en dat dit reeds in de weg staat aan toewijzing van de op deze grondslag gebaseerde vordering. In de toelichting op de grief stellen [MV] c.s. dat het handelen van de curator q.q. leidt tot een claim van de boedel op de curator, zodat diens beroepsaansprakelijkheidsassuradeur alsdan tot een uitkering is gehouden. Die claim is erop gericht dat de curator wordt veroordeeld de door hem veroorzaakte schade aan de boedel te vergoeden. Dit is geen claim op de boedel, omdat het immers gaat om een eigen handelen of nalaten van de curator bezien vanuit het boedelbelang en het boedelbeheer. De pro-se-aansprakelijkheid leidt tot een claim ten laste van het privévermogen van de curator, aldus [MV] c.s.
Volgens de toelichting op de tweede grief staat vast dat de curator geen nadere stappen heeft ondernomen nadat de gesprekken over de overname van de vorderingen tot niets hadden geleid en de rechter-commissaris geen aanleiding zag de curator nader instructies te geven. De curator had toen zelf een procesanalyse per vordering moeten aanleveren; hij kon niet volstaan met te rapporteren dat hij ter zake van die vorderingen niets meer zou ondernemen. Dit nalaten van de curator levert een onbehoorlijke taakvervulling op. De beleidsvrijheid van de curator ziet enkel op de fase nadat de curator zijn wettelijke taak tot inventarisatie en rapportage heeft vervuld. De Maclou-norm geldt niet voor gebonden regels, dat wil zeggen het samenstel van wettelijke bepalingen en de Recofa-richtlijnen voor zover hierin aan de curator wettelijke taken worden opgelegd, aldus [MV] c.s.
Volgens de toelichting op de derde grief heeft de rechtbank miskend dat het in essentie om eenvoudig te incasseren vorderingen gaat. De vordering op [B] betreft duidelijk een onverschuldigde betaling, de vordering op [T] betreft een niet betaalde factuur voor geleverde bollen. Beide vorderingen zijn met stukken onderbouwd, aldus [MV] c.s. In de toelichting wordt voorts nog geklaagd dat de door mr. Stam ter comparitie in eerste aanleg gegeven toelichting op de vorderingen niet in het proces-verbaal is opgenomen.
JVCwas. De producties waarnaar [MV] c.s. verwijzen – producties 7, 8 en 10 bij comparitie in eerste aanleg – zijn onvoldoende om op grond daarvan te kunnen concluderen dat de curator onzorgvuldig heeft gehandeld door destijds geen procedures tegen [B] en [T] aanhangig te maken. Productie 10 is een brief van, naar het hof begrijpt, een medewerker van de curator in het faillissement van SBC aan W. [V] van 20 september 2012 betreffende een factuur aan [B]. Deze brief dateert dus van na het aanhangig maken van de onderhavige procedure en de curator heeft daarvan niet eerder kennis kunnen nemen. Productie 8 betreft een toelichting op de vordering van de firma op [T] en is kennelijk een reactie op de conclusie van antwoord. Volgens die toelichting blijkt uit een bijgevoegde verkoopbrief dat door de firma [V] 6.000 kg ‘Yamaco’ aan [T] is geleverd. Voorts wordt verwezen naar het namens de curator uitgebrachte stuitingsexploot met als bijlagen een factuur van 14 juni 2004 en een mededeling dat volgens de administratie van SBC de factuur wegens leverantie van 6.000 kg Yamako onbetaald is gebleven. Ook hier geldt dat de toelichting pas na het aanhangig maken van deze procedure is opgesteld. De curator heeft in dit verband aangevoerd dat hij de nota en de andere door [MV] c.s. overgelegde stukken niet in de administratie van de firma heeft aangetroffen en dat uit de omstandigheid dat [T] de factuur niet heeft betaald kan worden afgeleid dat zij de vordering betwist. Het hof voegt daaraan toe dat [MV] c.s. hebben verzuimd het standpunt van [T] weer te geven, dat bepaald relevant is bij het inschatten van de proceskansen. Productie 7 betreft een namens de heren [V] opgestelde lijst met crediteuren. Voor zover mr. Stam ter comparitie een relevante nadere onderbouwing van of toelichting op de vorderingen heeft gegeven, maar deze niet in het proces-verbaal is opgenomen, was het aan [MV] c.s. geweest deze in hoger beroep te herhalen. Bij gebreke daarvan kan het hof hiervan geen kennis nemen.
Aangezien [MV] c.s. de vordering tegen de Staat uitdrukkelijk hebben ingetrokken, hebben zij bij deze grief geen belang.