Conclusie
1.[eiseres 1] ,
[eiseres 2]
1.Feiten
2.Procesverloop
2.Bespreking van de middelen
opde boedel die niet verenigbaar is met de door [eiseres 1] gevorderde voldoening van bedragen
aande boedel en dat dit reeds in de weg staat aan toewijzing van de op deze grondslag gebaseerde vordering (rov. 4.6 van het vonnis, onder het kopje “aansprakelijkheid q.q.”). In de toelichting op de grief hebben [eiseressen] aangevoerd dat het handelen van de curator q.q. leidt tot een claim van de boedel op de curator, zodat het de beroepsassuradeur van de curator is die alsdan tot een uitkering gehouden is. [10] Daaromtrent oordeelde het Hof als volgt:
primair, dat de aansprakelijkheid van de curator in hoedanigheid geen boedelschuld oplevert, maar een vordering van de boedel op de curator ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren (cassatiedagvaarding onder 2.1, 2.6), althans
subsidiair(indien de aansprakelijkheid in hoedanigheid wel een boedelschuld zou opleveren) dat de boedel voor die boedelschuld regres heeft op de curator (onder 2.3). Daarbij wordt er steeds vanuit gegaan dat de curator ook
pro seaansprakelijk is.
pro se(rov. 4.7-4.11 van het vonnis). De verwerping van de grieven berust op twee gronden die dat oordeel ieder voor zich kunnen dragen. In rov. 12 tot en met 15 heeft het Hof de door [eiseressen] aan de curator gemaakte verwijten besproken en verworpen. In rov. 16 overwoog het Hof daarnaast als volgt:
middel IVwordt opgekomen tegen rov. 18 tot en met 22 van het arrest en de daarop voortbouwende oordelen. De tegen rov. 18, 19, 22 en 23 gerichte klachten bouwen voort op de voorgaande middelen en moeten het lot daarvan delen.