ECLI:NL:HR:2016:2647

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2016
Publicatiedatum
21 november 2016
Zaaknummer
14/04348
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij gewapende roofoverval

De zaak betreft een gewapende roofoverval op een juwelierszaak in Rijnsburg waarbij de verdachte werd veroordeeld voor gekwalificeerde diefstal met geweld en bedreiging, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie in een gehuurde hotelkamer, en schuldheling van in die kamer aangetroffen gestolen goederen.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden behalve het middel dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent.

Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van zes jaren naar vijf jaren en zes maanden. Het arrest werd vernietigd voor zover het de strafduur betrof en het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van zes jaren naar vijf jaren en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.

Uitspraak

8 november 2016
Strafkamer
nr. S 14/04348
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juli 2014, nummer 22/004033-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het vijfde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 november 2016.