Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
8 november 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een gewapende roofoverval op een juwelierszaak in Rijnsburg waarbij de verdachte werd veroordeeld voor gekwalificeerde diefstal met geweld en bedreiging, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie in een gehuurde hotelkamer, en schuldheling van in die kamer aangetroffen gestolen goederen.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden behalve het middel dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent.
Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van zes jaren naar vijf jaren en zes maanden. Het arrest werd vernietigd voor zover het de strafduur betrof en het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van zes jaren naar vijf jaren en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.