Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof niet, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft beslist op de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging ten aanzien van de feiten 1 en 2.
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 niet kunnen volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen.
NJ2015/390 m.nt. Mevis, stuit het middel af op de omstandigheid dat in de bewijsvoering van het hof als diens oordeel besloten ligt dat de betrokkenheid van de verdachte heeft plaatsgevonden in het kader van een gezamenlijke uitvoering van de overval. Daarbij komt dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de bijdrage van de verdachte aan de overval is geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering daarvan. [3]
derde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 3 niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen.
vierde middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen.
vijfde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. [13]