Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
Het hof overwoog voorts dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden.
Wat daarvan ook zij, zolang het hoger beroep nog niet tot een ander, gunstiger resultaat heeft geleid, is het vonnis van de politierechter een gegeven waarvan het hof op dit moment moet uitgaan. Nog daargelaten dat ook dit gebeuren weer haaks staat op een saneringsgezinde houding - een dergelijk geweldsmisdrijf kan licht tot een nieuwe schuld leiden (bijv. jegens de benadeelde) - kan deze straf een obstakel vormen bij het nakomen van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder de inspanningsverplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ook dit feit en meer in het algemeen de omstandigheid dat [verzoeker] herhaaldelijk in aanraking komt met het straf- en sanctierecht maken dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. (Rov. 6)
4.Beslissing
9 december 2016.