Uitspraak
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
wonende te [woonplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 december 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de zorgplicht van Van Lanschot Bankiers jegens haar cliënten centraal, met name met betrekking tot de specifieke risico's verbonden aan beleggen in short straddles. De rechtbank en het gerechtshof te 's-Hertogenbosch hadden eerder geoordeeld over de aansprakelijkheid van Van Lanschot en de vaststelling van het causaal verband tussen het handelen van de bank en de geleden schade.
Van Lanschot stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad verwees naar artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en stelde dat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het gerechtshof en veroordeelde Van Lanschot in de kosten van het cassatiegeding. Dit arrest onderstreept de strenge toetsing van zorgplicht in effectenrechtelijke zaken en benadrukt de noodzaak voor banken om beleggers adequaat te informeren over complexe beleggingsproducten zoals short straddles.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Van Lanschot Bankiers wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bekrachtigd.