Conclusie
1.[verweerder 1],
[verweerster 2]
groeigerichtwas. Blijkens deze rapportages had het effectendepot van [verweerster 2] per 31 december 2003 een waarde van € 923.521,38 en op 18 augustus 2010 (toen het effectendepot werd opgeheven) een waarde van € 1.878,21. Rekening houdende met de onttrekkingen en stortingen van [verweerster 2] in de periode van 1 januari 2004 tot 18 augustus 2010 is in deze periode op de effectenportefeuille van [verweerster 2] per saldo een verlies geleden van € 126.521,85.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
‘Opties: kansen benutten, risico’s begrenzen’aan [verweerder 1] heeft verstrekt. In deze brief en de brochure is naar het oordeel van het hof in voldoende duidelijke bewoordingen uitgelegd wat het kopen en schrijven van call- en putopties inhoudt alsmede de daaraan verbonden risico’s. [verweerders] heeft ook niet, althans niet gemotiveerd gesteld, dat hij niet op de hoogte was van de werking van het schrijven van enkelvoudige call- of putopties en de daaraan verbonden risico’s.
“Een short straddle bestaat uit een geschreven call en put met dezelfde looptijd en uitoefenprijs. Stabiliteit leidt bij deze strategie tot winst, maar verliezen kunnen bij een forse koersbeweging oplopen.”
onderdeel 1.cis het oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet (kenbaar) ingaat op het betoog van Van Lanschot (MvA nr. 39) dat het risico dat assignment plaatsvindt bij een short straddle juist lager is dan in het geval van een call- of putoptie op verschillende aandelen. In het geval van een short straddle kan er slechts op de call- óf de putoptie assignment plaatsvinden en niet op beide opties, nu beide opties dezelfde looptijd en uitoefenprijs hebben en verbonden zijn aan hetzelfde aandeel, terwijl in het geval van twee willekeurige opties waarvoor dit niet geldt op beide opties assignment kan plaatsvinden.
Onderdeel 1.bwijst erop dat een short straddle strategie winstgevend is als de koers van de onderliggende aandelen zich gedurende de looptijd beweegt binnen de bandbreedte van enerzijds de uitoefenprijs plús de premie die wordt ontvangen bij het schrijven van de calloptie en anderzijds de uitoefenprijs min [6] de premie van de putoptie (een en ander wordt uitgelegd in Van Lanschot s.t. nr. 6 e.v.). Het hof omschrijft de bandbreedte echter als die tussen de uitoefenprijs van de calloptie en de uitoefenprijs van de putoptie.
onderdeel 1.dis de overweging dat het beleggen in short straddles slechts profijtelijk is bij een vlakke koersontwikkeling, waarbij de koers zich gedurende de looptijd beweegt binnen de in subonderdeel 1.b genoemde bandbreedte, evenmin een toereikende motivering van het oordeel dat Van Lanschot haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden. Een geschreven calloptie is winstgevend bij een dalende koers, een geschreven putoptie bij een stijgende koers en een short straddle [7] bij een vlakke koers, zodat zonder nadere toelichting door het hof niet valt in te zien waarom dit kenmerk van short straddles specifieke risico’s zou meebrengen waarvoor een (afzonderlijke) waarschuwingsplicht gold naast de plicht om voor de aan opties in het algemeen verbonden risico’s te waarschuwen, aldus het middel.
Een short straddle bestaat uit een geschreven call en put met dezelfde looptijd en uitoefenprijs. Stabiliteit leidt bij deze strategie tot winst, maar verliezen kunnen bij een forse koersbeweging oplopen.” Het onderdeel verbindt daaraan de conclusie dat Van Lanschot [verweerster 2] wel heeft gewaarschuwd, zodat het andersluidende oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
onderdelen 1.a en 1.ebetogen dat de oordelen van het hof over het bestaan en schending van een waarschuwingplicht c.q. het risico van short straddles (a) miskennen dat deze afhangen van alle omstandigheden van het geval en (b) onbegrijpelijk zijn in het licht van de in de onderdelen genoemde omstandigheden.
onderdeel 1.awijs ik nog op het volgende. Tegen de achtergrond van de vermogenspositie van [verweerders] en de waardeontwikkeling van de beleggingsportfeuille (zie rov. 3.1 sub (i), (ii) en (vi)) alsmede de aard van de adviesrelatie (rov. 3.6.2), heeft het hof in rov. 3.7.3 t/m 3.7.6 aandacht besteed aan de waarschuwing voor de handel in opties, de (stellingen van Van Lanschot omtrent de) risico’s van short straddles, de ervaring van [verweerders] met de handel in short straddles en de in 1998 aan [verweerder 1] verstrekte brochure. Daarmee zijn de door het middel onder (i) t/m (iii), (v) en (vii) t/m (x) genoemde omstandigheden verdisconteerd.
onderdeel 1.emerk ik nog op dat het middel niet aangeeft waarom de bedoelde omstandigheden, gezien het partijdebat waarin zij kennelijk niet aan de orde zijn gesteld (het middel verwijst althans niet naar vindplaatsen in de stukken van het geding), het hof tot een ander oordeel zouden hebben moeten brengen. De enkele stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat de risico’s van short straddles afhangen van (ook) deze omstandigheden, [8] volstaat daartoe niet.
groeigerichtwas.
uit de overgelegde correspondentie blijkt dat [verweerders] en Van Lanschot overeenkwamen dat voor [verweerster 2] (…) vanaf 2004 het risicoprofiel groeigericht gold.” (rov. 4.8; zie ook rov. 2.5). Het hof heeft kennelijk in de stellingen van Van Lanschot in appel geen (voldoende kenbare) incidentele grief tegen deze overwegingen gelezen. Dat oordeel berust, evenals de feitenvaststelling respectievelijk het oordeel in rov. 3.1 sub (v) en 3.9.1, op een aan het hof voorbehouden lezing van de processtukken. Onbegrijpelijk is die lezing naar mijn mening niet te noemen in het licht van de stellingen van Van Lanschot, mede nu van de zijde van Van Lanschot geen verklaring is aangedragen voor de volgens haar bestaande afwijking van de geadviseerde en bevestigde risicoprofielen voor [verweerster 2] die volgens haar jaarrapportages golden (althans het middel wijst niet op vindplaatsen in de stukken van het geding waaruit dat zou blijken).
onderdeel 3.abetoogt, is dit oordeel niet onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stelling, dat [verweerster 2] toen in 2006-2007 verliezen werden geleden op de short straddles Van Lanschot niet heeft aangegeven dat een te risicovol instrument te vinden maar daarmee wilde doorgaan. De gestelde omstandigheid hoeft namelijk niet te betekenen, dat het − met wijsheid achteraf: de stelling ziet niet op het moment van wijziging van het geadviseerde beleggingsbeleid vanaf juli 2004, maar op een periode nádien − gaat om een cliënt die niet op waarschuwingen zal reageren. Het kan ook gaan om een cliënt die zich de risico’s van het beleggingsproduct onvoldoende realiseert (zie bij 3.14.2). Het hof is van dat laatste uitgegaan. Dat feitelijke oordeel is aan het hof voorbehouden.
condicio sine qua non-verband voldoende aannemelijk is, maar heeft miskend dat voor het vaststellen van causaal verband ook vereist is dat de schade in redelijkheid aan Van Lanschot kan worden toegerekend, dan wel dat het hof zijn oordeel dienaangaande onvoldoende heeft gemotiveerd.
onderdeel 4.cnogmaals betoogt dat de risico’s van short straddles niet wezenlijk anders zijn dan die van andere optiestrategieën en het schrijven van enkelvoudige call- en putopties, komt dit betoog neer op een herhaling van de klacht die in onderdeel 1.c is aangevoerd, en faalt de klacht om dezelfde redenen.