Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
15 maart 2016.
Hoge Raad
De klager heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn klaagschrift op grond van artikel 552a Sv. Het klaagschrift betrof de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen.
De Rechtbank had geoordeeld dat de klager niet-ontvankelijk was omdat de officier van justitie zich niet verzette tegen teruggave en de voorwerpen op korte termijn aan de klager zouden worden teruggegeven. De Hoge Raad bevestigt dat de teruggave van de voorwerpen heeft plaatsgevonden, waardoor het beslag is beëindigd volgens artikel 134, tweede lid, Sv.
Gezien deze feiten oordeelt de Hoge Raad dat de klager onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Het aangevoerde belang met betrekking tot vergoeding van een eigen bijdrage wordt niet als een rechtens te beschermen belang aangemerkt. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen.